Avatar of Vocabulary Set Een lang en gezond leven

Vocabulaireverzameling Een lang en gezond leven in Graad 11: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Een lang en gezond leven' in 'Graad 11' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

active

/ˈæk.tɪv/

(adjective) actief, energiek, van kracht

Voorbeeld:

He leads a very active lifestyle, always hiking and cycling.
Hij leidt een zeer actieve levensstijl, altijd wandelend en fietsend.

antibiotic

/ˌæn.t̬i.baɪˈɑː.t̬ɪk/

(noun) antibioticum;

(adjective) antibiotisch

Voorbeeld:

The doctor prescribed an antibiotic for her infection.
De dokter schreef een antibioticum voor haar infectie voor.

bacteria

/bækˈtɪr.i.ə/

(plural noun) bacteriën;

(noun) bacterie (enkelvoud)

Voorbeeld:

Wash your hands to remove bacteria.
Was je handen om bacteriën te verwijderen.

balanced

/ˈbæl.ənst/

(adjective) uitgebalanceerd, evenwichtig, onpartijdig

Voorbeeld:

The artist created a perfectly balanced sculpture.
De kunstenaar creëerde een perfect uitgebalanceerd beeldhouwwerk.

blue-light

/ˈbluːˌlaɪt/

(verb) blauw licht filteren, blauw licht verminderen

Voorbeeld:

I always blue-light my phone before bed to help me sleep better.
Ik filter altijd het blauwe licht van mijn telefoon voor het slapengaan om beter te slapen.

diameter

/daɪˈæm.ə.t̬ɚ/

(noun) diameter

Voorbeeld:

The diameter of the circle is 10 centimeters.
De diameter van de cirkel is 10 centimeter.

disease

/dɪˈziːz/

(noun) ziekte, aandoening

Voorbeeld:

Heart disease is a major cause of death.
Hartziekte is een belangrijke doodsoorzaak.

energy

/ˈen.ɚ.dʒi/

(noun) energie, levenskracht

Voorbeeld:

She has a lot of energy for her age.
Ze heeft veel energie voor haar leeftijd.

examine

/ɪɡˈzæm.ɪn/

(verb) onderzoeken, inspecteren, bekijken

Voorbeeld:

The doctor will examine the patient thoroughly.
De dokter zal de patiënt grondig onderzoeken.

fitness

/ˈfɪt.nəs/

(noun) conditie, fitheid, geschiktheid

Voorbeeld:

Regular exercise is essential for good fitness.
Regelmatige lichaamsbeweging is essentieel voor een goede conditie.

flesh

/fleʃ/

(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;

(verb) uitwerken, verdiepen

Voorbeeld:

The wound went deep into the flesh.
De wond ging diep in het vlees.

food poisoning

/ˈfuːd ˌpɔɪ.zən.ɪŋ/

(noun) voedselvergiftiging

Voorbeeld:

She got food poisoning after eating at the new restaurant.
Ze kreeg voedselvergiftiging na het eten in het nieuwe restaurant.

germ

/dʒɝːm/

(noun) kiem, ziektekiem, spruit

Voorbeeld:

Wash your hands to avoid spreading germs.
Was je handen om verspreiding van ziektekiemen te voorkomen.

infection

/ɪnˈfek.ʃən/

(noun) infectie, besmetting, infectieziekte

Voorbeeld:

The doctor prescribed antibiotics to treat the bacterial infection.
De dokter schreef antibiotica voor om de bacteriële infectie te behandelen.

infectious

/ɪnˈfek.ʃəs/

(adjective) besmettelijk, infectieus, aanstekelijk

Voorbeeld:

The common cold is an infectious disease.
De verkoudheid is een besmettelijke ziekte.

ingredient

/ɪnˈɡriː.di.ənt/

(noun) ingrediënt, bestanddeel, factor

Voorbeeld:

The main ingredient of this cake is flour.
Het belangrijkste ingrediënt van deze cake is bloem.

life expectancy

/laɪf ɪkˈspek.tən.si/

(noun) levensverwachting

Voorbeeld:

Life expectancy has increased significantly in the last century.
De levensverwachting is de afgelopen eeuw aanzienlijk toegenomen.

mineral

/ˈmɪn.ər.əl/

(noun) mineraal, voedingsstof;

(adjective) mineraal

Voorbeeld:

Quartz is a common mineral found in many rocks.
Kwarts is een veelvoorkomend mineraal dat in veel gesteenten wordt gevonden.

muscle

/ˈmʌs.əl/

(noun) spier, spierkracht, kracht;

(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his leg while running.
Hij verrekte een spier in zijn been tijdens het rennen.

nutrient

/ˈnuː.tri.ənt/

(noun) voedingsstof, voedingsmiddel

Voorbeeld:

Plants absorb essential nutrients from the soil.
Planten nemen essentiële voedingsstoffen op uit de bodem.

organism

/ˈɔːr-/

(noun) organisme, levensvorm, systeem

Voorbeeld:

Bacteria are single-celled organisms.
Bacteriën zijn eencellige organismen.

press-up

/ˈpres.ʌp/

(noun) opdrukken, push-up

Voorbeeld:

He does 50 press-ups every morning.
Hij doet elke ochtend 50 opdrukken.

properly

/ˈprɑː.pɚ.li/

(adverb) correct, behoorlijk, netjes

Voorbeeld:

Make sure you install the software properly.
Zorg ervoor dat je de software correct installeert.

recipe

/ˈres.ə.pi/

(noun) recept, methode

Voorbeeld:

Can you share your recipe for chocolate cake?
Kun je je recept voor chocoladetaart delen?

regular

/ˈreɡ.jə.lɚ/

(adjective) regelmatig, gewoon, gelijkmatig;

(noun) vaste klant, habitué

Voorbeeld:

She makes regular visits to her grandmother.
Ze brengt regelmatig bezoeken aan haar grootmoeder.

repetitive

/rɪˈpet̬.ə.t̬ɪv/

(adjective) repetitief, eentonig, herhalend

Voorbeeld:

The work was so repetitive that I quickly got bored.
Het werk was zo repetitief dat ik me snel verveelde.

spread

/spred/

(verb) verspreiden, uitbreiden, uitspreiden;

(noun) verspreiding, uitbreiding, broodbeleg

Voorbeeld:

The fire spread rapidly through the forest.
Het vuur verspreidde zich snel door het bos.

squat

/skwɑːt/

(verb) hurken, neerhurken, kraken;

(noun) hurkzit, squat, kraakpand;

(adjective) gedrongen, laag en breed

Voorbeeld:

He squatted down to tie his shoelace.
Hij hurkte neer om zijn schoenveter te strikken.

strength

/streŋθ/

(noun) kracht, sterkte, weerstand

Voorbeeld:

He lifted the heavy box with surprising strength.
Hij tilde de zware doos op met verrassende kracht.

suffer

/ˈsʌf.ɚ/

(verb) lijden, ondergaan, lijden aan

Voorbeeld:

He suffered a heart attack.
Hij leed aan een hartaanval.

treatment

/ˈtriːt.mənt/

(noun) behandeling, omgang, therapie

Voorbeeld:

She received excellent treatment from the hospital staff.
Ze kreeg een uitstekende behandeling van het ziekenhuispersoneel.

tuberculosis

/tuːˌbɝː.kjəˈloʊ.sɪs/

(noun) tuberculose, tbc

Voorbeeld:

The patient was diagnosed with tuberculosis.
De patiënt werd gediagnosticeerd met tuberculose.

virus

/ˈvaɪ.rəs/

(noun) virus, computervirus

Voorbeeld:

The common cold is caused by a virus.
De verkoudheid wordt veroorzaakt door een virus.

work out

/wɜːrk aʊt/

(phrasal verb) trainen, sporten, oplossen

Voorbeeld:

I like to work out at the gym three times a week.
Ik vind het leuk om drie keer per week in de sportschool te trainen.

give off

/ɡɪv ɔf/

(phrasal verb) afgeven, uitstoten

Voorbeeld:

The flowers give off a sweet scent.
De bloemen geven een zoete geur af.

give up

/ɡɪv ˈʌp/

(phrasal verb) opgeven, stoppen, stoppen met

Voorbeeld:

Don't give up on your dreams.
Geef je dromen niet op.

star jump

/ˈstɑːr dʒʌmp/

(noun) spreid-sluit sprong, jumping jack

Voorbeeld:

We started our workout with twenty star jumps to warm up.
We begonnen onze training met twintig spreid-sluit sprongen om op te warmen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland