Avatar of Vocabulary Set Oxford 5000 - B2 - Letter F

Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - B2 - Letter F in Oxford 5000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - B2 - Letter F' in 'Oxford 5000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

fabric

/ˈfæb.rɪk/

(noun) stof, textiel, structuur

Voorbeeld:

The dress was made of a soft, flowing fabric.
De jurk was gemaakt van een zachte, soepelvallende stof.

fabulous

/ˈfæb.jə.ləs/

(adjective) fantastisch, geweldig, fabelachtig

Voorbeeld:

She looked fabulous in her new dress.
Ze zag er fantastisch uit in haar nieuwe jurk.

failed

/feɪld/

(adjective) mislukt, gefalied;

(past tense) faalde, mislukte;

(past participle) begeven, stoppen met werken

Voorbeeld:

The experiment was a failed attempt to create a new material.
Het experiment was een mislukte poging om een nieuw materiaal te creëren.

fake

/feɪk/

(noun) namaak, vervalsing;

(adjective) nep, vals, namaak;

(verb) faken, veinzen, simuleren

Voorbeeld:

The painting was a complete fake.
Het schilderij was een complete namaak.

fame

/feɪm/

(noun) roem, faam, bekendheid;

(verb) beroemd maken, roemen

Voorbeeld:

Her sudden rise to fame was unexpected.
Haar plotselinge opkomst tot roem was onverwacht.

fantasy

/ˈfæn.tə.si/

(noun) fantasie, verbeelding, fantasy;

(verb) fantaseren, dromen

Voorbeeld:

He spent his days lost in fantasy.
Hij bracht zijn dagen door, verloren in fantasie.

fare

/fer/

(noun) tarief, prijs, kost;

(verb) presteren, gaan

Voorbeeld:

Bus fares have increased recently.
De bustarieven zijn recentelijk gestegen.

federal

/ˈfed.ɚ.əl/

(adjective) federaal, centraal

Voorbeeld:

The United States has a federal system of government.
De Verenigde Staten hebben een federaal regeringssysteem.

fever

/ˈfiː.vɚ/

(noun) koorts, opwinding

Voorbeeld:

The child had a high fever and was restless.
Het kind had hoge koorts en was onrustig.

firefighter

/ˈfaɪrˌfaɪ.t̬ɚ/

(noun) brandweerman, brandweervrouw

Voorbeeld:

The brave firefighter rescued the cat from the burning building.
De dappere brandweerman redde de kat uit het brandende gebouw.

firework

/ˈfaɪr.wɝːk/

(noun) vuurwerk

Voorbeeld:

The sky lit up with colorful fireworks.
De lucht lichtte op met kleurrijk vuurwerk.

firm

/fɝːm/

(adjective) stevig, vast, standvastig;

(noun) bedrijf, firma;

(verb) verstevigen, harder maken

Voorbeeld:

The ground was firm after the rain.
De grond was stevig na de regen.

firmly

/ˈfɝːm.li/

(adverb) stevig, vast, vastberaden

Voorbeeld:

Hold the rope firmly.
Houd het touw stevig vast.

flavour

/ˈfleɪ.vɚ/

(noun) smaak, sfeer, karakter;

(verb) op smaak brengen, aromatiseren

Voorbeeld:

This ice cream has a rich vanilla flavour.
Dit ijs heeft een rijke vanillesmaak.

fond

/fɑːnd/

(adjective) dol op, liefdevol, goed

Voorbeeld:

She is very fond of her grandchildren.
Ze is erg dol op haar kleinkinderen.

fool

/fuːl/

(noun) dwaas, idioot, nar;

(verb) voor de gek houden, misleiden

Voorbeeld:

Don't be a fool and invest all your money in one stock.
Wees geen dwaas en investeer al je geld in één aandeel.

forbid

/fɚˈbɪd/

(verb) verbieden

Voorbeeld:

The rules forbid smoking in the building.
De regels verbieden roken in het gebouw.

forecast

/ˈfɔːr.kæst/

(noun) voorspelling, prognose;

(verb) voorspellen, prognostiseren

Voorbeeld:

The weather forecast predicts rain for tomorrow.
De weersvoorspelling voorspelt regen voor morgen.

format

/ˈfɔːr.mæt/

(noun) formaat, opmaak;

(verb) opmaken, formatteren, initialiseren

Voorbeeld:

The book was published in a new format.
Het boek werd in een nieuw formaat uitgegeven.

formation

/fɔːrˈmeɪ.ʃən/

(noun) vorming, totstandkoming, formatie

Voorbeeld:

The formation of ice crystals in the clouds leads to snow.
De vorming van ijskristallen in de wolken leidt tot sneeuw.

formerly

/ˈfɔːr.mɚ.li/

(adverb) voorheen, vroeger

Voorbeeld:

The building was formerly a school.
Het gebouw was voorheen een school.

fortunate

/ˈfɔːr.tʃən.ət/

(adjective) gelukkig, fortuinlijk, gunstig

Voorbeeld:

She was fortunate to find a job so quickly.
Ze had het geluk zo snel een baan te vinden.

forum

/ˈfɔːr.əm/

(noun) forum, platform, marktplein

Voorbeeld:

The conference provided a forum for discussing global issues.
De conferentie bood een forum voor het bespreken van wereldwijde kwesties.

fossil

/ˈfɑː.səl/

(noun) fossiel, ouderwets persoon;

(verb) verstenen, fossiel worden

Voorbeeld:

Scientists discovered a dinosaur fossil in the desert.
Wetenschappers ontdekten een dinosaurusfossiel in de woestijn.

foundation

/faʊnˈdeɪ.ʃən/

(noun) fundering, basis, grondslag

Voorbeeld:

The house has a strong concrete foundation.
Het huis heeft een sterke betonnen fundering.

founder

/ˈfaʊn.dɚ/

(noun) oprichter, stichter;

(verb) mislukken, stranden, zinken

Voorbeeld:

The founder of the company retired after 30 years.
De oprichter van het bedrijf ging na 30 jaar met pensioen.

fraction

/ˈfræk.ʃən/

(noun) fractie, deel, breuk

Voorbeeld:

Only a small fraction of the population attended the meeting.
Slechts een klein deel van de bevolking woonde de vergadering bij.

fragment

/ˈfræɡ.mənt/

(noun) fragment, stukje, onvolledig deel;

(verb) fragmenteren, uiteenvallen

Voorbeeld:

She found a fragment of pottery in the ruins.
Ze vond een fragment aardewerk in de ruïnes.

framework

/ˈfreɪm.wɝːk/

(noun) raamwerk, structuur, kader

Voorbeeld:

The report provides a framework for understanding the new policy.
Het rapport biedt een raamwerk voor het begrijpen van het nieuwe beleid.

fraud

/frɑːd/

(noun) fraude, bedrog, bedrieger

Voorbeeld:

He was arrested for committing credit card fraud.
Hij werd gearresteerd wegens creditcardfraude.

freely

/ˈfriː.li/

(adverb) vrijelijk, ongedwongen, gratis

Voorbeeld:

You can move freely in this area.
Je kunt je vrijelijk bewegen in dit gebied.

frequent

/ˈfriː.kwənt/

(adjective) frequent, vaak;

(verb) frequenteren, vaak bezoeken

Voorbeeld:

Bus services are more frequent during peak hours.
Busdiensten zijn frequenter tijdens piekuren.

fulfill

/fʊlˈfɪl/

(verb) vervullen, realiseren, nakomen

Voorbeeld:

He worked hard to fulfill his dream of becoming a doctor.
Hij werkte hard om zijn droom om dokter te worden te vervullen.

full-time

/ˈfʊl.taɪm/

(adjective) fulltime, voltijds;

(adverb) fulltime, voltijds

Voorbeeld:

She works full-time as a teacher.
Ze werkt fulltime als lerares.

fundamentally

/ˌfʌn.dəˈmen.t̬əl.i/

(adverb) fundamenteel, essentieel

Voorbeeld:

The two approaches are fundamentally different.
De twee benaderingen zijn fundamenteel verschillend.

furious

/ˈfʊr.i.əs/

(adjective) woedend, razend, furieus

Voorbeeld:

She was absolutely furious when she found out he had lied to her.
Ze was absoluut woedend toen ze ontdekte dat hij tegen haar had gelogen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland