Vocabulaireverzameling Oxford 5000 - B2 - Letter F in Oxford 5000 - B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oxford 5000 - B2 - Letter F' in 'Oxford 5000 - B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) stof, textiel, structuur
Voorbeeld:
(adjective) fantastisch, geweldig, fabelachtig
Voorbeeld:
(adjective) mislukt, gefalied;
(past tense) faalde, mislukte;
(past participle) begeven, stoppen met werken
Voorbeeld:
(noun) namaak, vervalsing;
(adjective) nep, vals, namaak;
(verb) faken, veinzen, simuleren
Voorbeeld:
(noun) roem, faam, bekendheid;
(verb) beroemd maken, roemen
Voorbeeld:
(noun) fantasie, verbeelding, fantasy;
(verb) fantaseren, dromen
Voorbeeld:
(noun) tarief, prijs, kost;
(verb) presteren, gaan
Voorbeeld:
(adjective) federaal, centraal
Voorbeeld:
(noun) koorts, opwinding
Voorbeeld:
(noun) brandweerman, brandweervrouw
Voorbeeld:
(noun) vuurwerk
Voorbeeld:
(adjective) stevig, vast, standvastig;
(noun) bedrijf, firma;
(verb) verstevigen, harder maken
Voorbeeld:
(adverb) stevig, vast, vastberaden
Voorbeeld:
(noun) smaak, sfeer, karakter;
(verb) op smaak brengen, aromatiseren
Voorbeeld:
(adjective) dol op, liefdevol, goed
Voorbeeld:
(noun) dwaas, idioot, nar;
(verb) voor de gek houden, misleiden
Voorbeeld:
(verb) verbieden
Voorbeeld:
(noun) voorspelling, prognose;
(verb) voorspellen, prognostiseren
Voorbeeld:
(noun) formaat, opmaak;
(verb) opmaken, formatteren, initialiseren
Voorbeeld:
(noun) vorming, totstandkoming, formatie
Voorbeeld:
(adverb) voorheen, vroeger
Voorbeeld:
(adjective) gelukkig, fortuinlijk, gunstig
Voorbeeld:
(noun) forum, platform, marktplein
Voorbeeld:
(noun) fossiel, ouderwets persoon;
(verb) verstenen, fossiel worden
Voorbeeld:
(noun) fundering, basis, grondslag
Voorbeeld:
(noun) oprichter, stichter;
(verb) mislukken, stranden, zinken
Voorbeeld:
(noun) fractie, deel, breuk
Voorbeeld:
(noun) fragment, stukje, onvolledig deel;
(verb) fragmenteren, uiteenvallen
Voorbeeld:
(noun) raamwerk, structuur, kader
Voorbeeld:
(noun) fraude, bedrog, bedrieger
Voorbeeld:
(adverb) vrijelijk, ongedwongen, gratis
Voorbeeld:
(adjective) frequent, vaak;
(verb) frequenteren, vaak bezoeken
Voorbeeld:
(verb) vervullen, realiseren, nakomen
Voorbeeld:
(adjective) fulltime, voltijds;
(adverb) fulltime, voltijds
Voorbeeld:
(adverb) fundamenteel, essentieel
Voorbeeld:
(adjective) woedend, razend, furieus
Voorbeeld: