Avatar of Vocabulary Set B1 - Letter T

Vocabulaireverzameling B1 - Letter T in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter T' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

tail

/teɪl/

(noun) staart, achterkant, einde;

(verb) volgen, achtervolgen

Voorbeeld:

The dog wagged its tail excitedly.
De hond kwispelde enthousiast met zijn staart.

talent

/ˈtæl.ənt/

(noun) talent, aanleg, getalenteerde mensen

Voorbeeld:

She has a natural talent for music.
Ze heeft een natuurlijk talent voor muziek.

talented

/ˈtæl.ən.t̬ɪd/

(adjective) getalenteerd, begaafd

Voorbeeld:

She is a very talented musician.
Ze is een zeer getalenteerde muzikante.

tape

/teɪp/

(noun) tape, plakband, lint;

(verb) vasttapen, plakken, opnemen

Voorbeeld:

Please use some tape to seal the box.
Gebruik alstublieft wat tape om de doos te sluiten.

tax

/tæks/

(noun) belasting;

(verb) belasten, belasting heffen op, uitputten

Voorbeeld:

The government increased the sales tax.
De overheid verhoogde de omzetbelasting.

technical

/ˈtek.nɪ.kəl/

(adjective) technisch, strikt

Voorbeeld:

The manual provides detailed technical specifications.
De handleiding bevat gedetailleerde technische specificaties.

technique

/tekˈniːk/

(noun) techniek, methode

Voorbeeld:

He has a unique painting technique.
Hij heeft een unieke schildertechniek.

tend

/tend/

(verb) neigen, tendere, verzorgen

Voorbeeld:

People tend to be happier in the summer.
Mensen hebben de neiging gelukkiger te zijn in de zomer.

tent

/tent/

(noun) tent;

(verb) kamperen, een tent opzetten

Voorbeeld:

We set up our tent near the river.
We zetten onze tent op bij de rivier.

that

/ðæt/

(determiner) die, dat;

(pronoun) dat, die;

(adverb) zo, zodanig;

(conjunction) dat, die

Voorbeeld:

Look at that beautiful sunset!
Kijk naar die prachtige zonsondergang!

theirs

/ðerz/

(pronoun) van hen, hunne

Voorbeeld:

The house is theirs.
Het huis is van hen.

theme

/θiːm/

(noun) thema, onderwerp, melodie;

(verb) thematiseren, een thema geven

Voorbeeld:

The main theme of the novel is love and loss.
Het hoofdthema van de roman is liefde en verlies.

theory

/ˈθɪr.i/

(noun) theorie, hypothese, beginselen

Voorbeeld:

The scientist proposed a new theory about the origin of the universe.
De wetenschapper stelde een nieuwe theorie voor over het ontstaan van het universum.

therefore

/ˈðer.fɔːr/

(adverb) daarom, derhalve, bijgevolg

Voorbeeld:

She was ill, and therefore unable to attend the meeting.
Ze was ziek, en daarom niet in staat de vergadering bij te wonen.

this

/ðɪs/

(determiner) deze, dit;

(pronoun) dit;

(adverb) zo, zodanig

Voorbeeld:

Don't listen to this guy.
Luister niet naar deze kerel.

though

/ðoʊ/

(conjunction) hoewel, ofschoon;

(adverb) echter, toch

Voorbeeld:

Though it was raining, we went for a walk.
Hoewel het regende, gingen we wandelen.

throat

/θroʊt/

(noun) keel, hals, ingang;

(verb) uitstoten, uitspreken

Voorbeeld:

She cleared her throat before speaking.
Ze schraapte haar keel voordat ze sprak.

throughout

/θruːˈaʊt/

(preposition) doorheen, overal in, gedurende;

(adverb) door en door, overal

Voorbeeld:

The house was decorated throughout.
Het huis was overal versierd.

tight

/taɪt/

(adjective) strak, vast, dicht;

(adverb) strak, stevig, vast

Voorbeeld:

Make sure the lid is tight.
Zorg ervoor dat het deksel goed dicht is.

till

/tɪl/

(preposition) tot;

(conjunction) totdat;

(noun) kassa, geldlade;

(verb) bewerken, ploegen

Voorbeeld:

Let's wait till tomorrow.
Laten we wachten tot morgen.

tin

/tɪn/

(noun) tin, blik, blikje;

(verb) inblikken

Voorbeeld:

The roof was made of corrugated tin.
Het dak was gemaakt van gegolfd blik.

tiny

/ˈtaɪ.ni/

(adjective) klein, minuscuul

Voorbeeld:

The baby's fingers were so tiny.
De vingers van de baby waren zo klein.

tip

/tɪp/

(noun) fooi, tip, advies;

(verb) fooi geven, omkiepen, kantelen

Voorbeeld:

He left a generous tip for the waiter.
Hij liet een royale fooi achter voor de ober.

toe

/toʊ/

(noun) teen, neus, teen (van sok);

(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen

Voorbeeld:

She stubbed her toe on the table leg.
Ze stootte haar teen tegen de tafelpoot.

tongue

/tʌŋ/

(noun) tong, taal;

(verb) likken

Voorbeeld:

She bit her tongue while eating.
Ze beet op haar tong tijdens het eten.

total

/ˈtoʊ.t̬əl/

(noun) totaal, som;

(adjective) totaal, geheel, volledig;

(verb) bedragen, optellen tot

Voorbeeld:

The total cost of the trip was $500.
De totale kosten van de reis waren $500.

totally

/ˈtoʊ.t̬əl.i/

(adverb) helemaal, volledig, absoluut

Voorbeeld:

I'm totally exhausted after that long flight.
Ik ben helemaal uitgeput na die lange vlucht.

touch

/tʌtʃ/

(verb) aanraken, raken, aangrijpen;

(noun) aanraking, gevoel, vleugje

Voorbeeld:

Don't touch the wet paint.
Raak de natte verf niet aan.

tour

/tʊr/

(noun) rondreis, tournee, rondleiding;

(verb) toeren, rondreizen

Voorbeeld:

They went on a grand tour of Europe.
Ze gingen op een grote rondreis door Europa.

trade

/treɪd/

(noun) handel, ruilhandel, vak;

(verb) handelen, ruilen, uitwisselen

Voorbeeld:

International trade has increased significantly.
Internationale handel is aanzienlijk toegenomen.

translate

/trænsˈleɪt/

(verb) vertalen, omzetten, overbrengen

Voorbeeld:

Can you translate this document from English to Spanish?
Kun je dit document van Engels naar Spaans vertalen?

translation

/trænsˈleɪ.ʃən/

(noun) vertaling, vertaalde tekst

Voorbeeld:

The translation of the document took several hours.
De vertaling van het document duurde enkele uren.

transport

/ˈtræn.spɔːrt/

(verb) vervoeren, transporteren, overweldigen;

(noun) vervoer, transportmiddel, vervoering

Voorbeeld:

The company uses trucks to transport goods across the country.
Het bedrijf gebruikt vrachtwagens om goederen door het hele land te vervoeren.

treat

/triːt/

(verb) behandelen, verwerken, traktatie geven;

(noun) traktatie, verwennerij, rondje

Voorbeeld:

She treats everyone with respect.
Ze behandelt iedereen met respect.

treatment

/ˈtriːt.mənt/

(noun) behandeling, omgang, therapie

Voorbeeld:

She received excellent treatment from the hospital staff.
Ze kreeg een uitstekende behandeling van het ziekenhuispersoneel.

trend

/trend/

(noun) trend, neiging, richting;

(verb) neigen, buigen

Voorbeeld:

The latest trend in fashion is minimalist design.
De nieuwste trend in mode is minimalistisch design.

trick

/trɪk/

(noun) truc, streek, kunstje;

(verb) bedriegen, foppen

Voorbeeld:

He played a clever trick on his friends.
Hij speelde zijn vrienden een slimme truc.

truth

/truːθ/

(noun) waarheid, feit

Voorbeeld:

He always speaks the truth.
Hij spreekt altijd de waarheid.

tube

/tuːb/

(noun) buis, slang, metro;

(verb) in een buis doen, door een buis leiden

Voorbeeld:

Water flows through the tube.
Water stroomt door de buis.

type

/taɪp/

(noun) type, soort, lettertype;

(verb) typen, intypen

Voorbeeld:

What type of music do you like?
Welk type muziek vind je leuk?

typically

/ˈtɪp.ɪ.kəl.i/

(adverb) doorgaans, door de bank genomen

Voorbeeld:

We typically have dinner around 7 PM.
We eten doorgaans rond 19.00 uur.

tyre

/taɪr/

(noun) band

Voorbeeld:

My car needs a new tyre.
Mijn auto heeft een nieuwe band nodig.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland