Avatar of Vocabulary Set B1 - Letter G

Vocabulaireverzameling B1 - Letter G in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter G' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

garage

/ɡəˈrɑːʒ/

(noun) garage, werkplaats;

(verb) in de garage zetten, stallen

Voorbeeld:

I parked my car in the garage.
Ik parkeerde mijn auto in de garage.

gather

/ˈɡæð.ɚ/

(verb) verzamelen, bijeenkomen, opmaken;

(noun) plooi, ruche

Voorbeeld:

A crowd began to gather outside the building.
Een menigte begon zich buiten het gebouw te verzamelen.

generally

/ˈdʒen.ə r.əl.i/

(adverb) meestal, over het algemeen, algemeen

Voorbeeld:

He generally arrives on time.
Hij komt meestal op tijd aan.

generation

/ˌdʒen.əˈreɪ.ʃən/

(noun) generatie, opwekking, afstamming

Voorbeeld:

The younger generation is more tech-savvy.
De jongere generatie is meer technisch onderlegd.

generous

/ˈdʒen.ər.əs/

(adjective) gul, vrijgevig, ruim

Voorbeeld:

She is always generous with her time and help.
Ze is altijd gul met haar tijd en hulp.

gentle

/ˈdʒen.t̬əl/

(adjective) zachtaardig, vriendelijk, mild;

(verb) verzachten, kalmeren, temperen

Voorbeeld:

He has a very gentle nature.
Hij heeft een heel zachtaardig karakter.

gentleman

/ˈdʒen.t̬əl.mən/

(noun) heer, gentleman, beleefde man

Voorbeeld:

He was a true gentleman, always polite and respectful.
Hij was een echte heer, altijd beleefd en respectvol.

ghost

/ɡoʊst/

(noun) spook, geest;

(verb) spoken, zweven, ghosten

Voorbeeld:

Many people claim to have seen a ghost in that old house.
Veel mensen beweren een spook te hebben gezien in dat oude huis.

giant

/ˈdʒaɪ.ənt/

(noun) reus, gigant, grootheid;

(adjective) gigantisch, enorm, reusachtig

Voorbeeld:

The fairy tale featured a benevolent giant who helped the villagers.
Het sprookje bevatte een welwillende reus die de dorpelingen hielp.

glad

/ɡlæd/

(adjective) blij, verheugd, vreugdevol;

(verb) verblijden, verheugen

Voorbeeld:

I'm so glad to see you!
Ik ben zo blij je te zien!

global

/ˈɡloʊ.bəl/

(adjective) wereldwijd, globaal, universeel

Voorbeeld:

Climate change is a global issue that affects everyone.
Klimaatverandering is een wereldwijd probleem dat iedereen treft.

glove

/ɡlʌv/

(noun) handschoen;

(verb) handschoenen aantrekken

Voorbeeld:

She put on her winter gloves before going outside.
Ze trok haar winterhandschoenen aan voordat ze naar buiten ging.

go

/ɡoʊ/

(verb) gaan, werken, functioneren;

(noun) poging, beurt;

(adjective) klaar, gereed;

(exclamation) gaan, kom op

Voorbeeld:

I need to go to the store.
Ik moet naar de winkel gaan.

goods

/ɡʊdz/

(plural noun) goederen, koopwaar, bezittingen

Voorbeeld:

The store sells a variety of household goods.
De winkel verkoopt een verscheidenheid aan huishoudelijke goederen.

grade

/ɡreɪd/

(noun) kwaliteit, graad, niveau;

(verb) sorteren, indelen, beoordelen

Voorbeeld:

This is a high grade olive oil.
Dit is een olijfolie van hoge kwaliteit.

graduate

/ˈɡrædʒ.u.ət/

(noun) afgestudeerde, gediplomeerde;

(verb) afstuderen, diploma behalen, doorstromen

Voorbeeld:

She is a recent graduate of Harvard University.
Zij is een recente afgestudeerde van Harvard University.

grain

/ɡreɪn/

(noun) graan, korrel, greintje;

(verb) granuleren, kristalliseren

Voorbeeld:

The farmer harvested a field of golden grain.
De boer oogstte een veld met gouden graan.

grateful

/ˈɡreɪt.fəl/

(adjective) dankbaar

Voorbeeld:

I am so grateful for your help.
Ik ben zo dankbaar voor je hulp.

growth

/ɡroʊθ/

(noun) groei, toename, ontwikkeling

Voorbeeld:

The company experienced rapid growth in the last quarter.
Het bedrijf kende een snelle groei in het laatste kwartaal.

guard

/ɡɑːrd/

(noun) bewaker, garde, beschermer;

(verb) bewaken, beschermen

Voorbeeld:

The security guard checked our bags at the entrance.
De veiligheidsbewaker controleerde onze tassen bij de ingang.

guilty

/ˈɡɪl.ti/

(adjective) schuldig, gewetensvol

Voorbeeld:

The jury found him guilty of theft.
De jury bevond hem schuldig aan diefstal.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland