Vocabulaireverzameling B1 - Letter D in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter D' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) dagelijks;
(adverb) dagelijks, elke dag;
(noun) dagblad, dagelijkse krant
Voorbeeld:
(noun) schade, beschadiging, schadevergoeding;
(verb) beschadigen, schaden
Voorbeeld:
(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;
(verb) delen, uitdelen, omgaan met
Voorbeeld:
(noun) decennium
Voorbeeld:
(verb) decoreren, versieren, schilderen
Voorbeeld:
(adjective) diep, intens, laag;
(adverb) diep
Voorbeeld:
(verb) definiëren, omschrijven, afbakenen
Voorbeeld:
(adjective) definitief, duidelijk, bepaald
Voorbeeld:
(noun) definitie, omschrijving, scherpte
Voorbeeld:
(verb) bezorgen, leveren, opleveren
Voorbeeld:
(noun) vertrek, afreis, afwijking
Voorbeeld:
(preposition) ondanks
Voorbeeld:
(noun) bestemming
Voorbeeld:
(verb) bepalen, vaststellen, uitvinden
Voorbeeld:
(adjective) vastbesloten, vastberaden;
(verb) vastgesteld, bepaald
Voorbeeld:
(noun) ontwikkeling, gebeurtenis, wijk
Voorbeeld:
(noun) diagram, schema, tekening;
(verb) diagrammeren, schematiseren
Voorbeeld:
(noun) diamant, ruit, diamantvorm
Voorbeeld:
(noun) moeilijkheid, probleem, obstakel
Voorbeeld:
(adjective) direct, rechtstreeks, onmiddellijk;
(verb) leiden, besturen, dirigeren;
(adverb) direct, rechtstreeks
Voorbeeld:
(adverb) rechtstreeks, direct, onmiddellijk
Voorbeeld:
(noun) grond, aarde, vuil
Voorbeeld:
(noun) nadeel, handicap;
(verb) benadelen, handicappen
Voorbeeld:
(adjective) teleurgesteld
Voorbeeld:
(adjective) teleurstellend
Voorbeeld:
(noun) korting, reductie;
(verb) korting geven, afprijzen, negeren
Voorbeeld:
(noun) afkeer, hekel;
(verb) niet houden van, afkeer hebben van
Voorbeeld:
(verb) verdelen, scheiden, delen;
(noun) scheiding, grens
Voorbeeld:
(noun) documentaire;
(adjective) documentair
Voorbeeld:
(verb) doneren, schenken
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(noun) twijfel, onzekerheid;
(verb) twijfelen, betwijfelen
Voorbeeld:
(adjective) gekleed, aangekleed, aangemaakt;
(verb) aankleden, kleden, verbanden
Voorbeeld:
(noun) druppel, daling, val;
(verb) laten vallen, neerlaten, dalen
Voorbeeld:
(noun) trommel, vat, cilinder;
(verb) trommelen, kloppen
Voorbeeld:
(adjective) dronken;
(noun) dronkaard, alcoholist;
(past participle) gedronken
Voorbeeld:
(adjective) verwacht, verschuldigd, te betalen;
(adverb) rechtstreeks, precies;
(noun) contributie, kosten
Voorbeeld:
(noun) stof;
(verb) afstoffen, bestrooien, besprenkelen
Voorbeeld:
(noun) plicht, verantwoordelijkheid, accijns
Voorbeeld: