Avatar of Vocabulary Set B1 - Letter D

Vocabulaireverzameling B1 - Letter D in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter D' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

daily

/ˈdeɪ.li/

(adjective) dagelijks;

(adverb) dagelijks, elke dag;

(noun) dagblad, dagelijkse krant

Voorbeeld:

She reads the daily newspaper.
Ze leest de dagelijkse krant.

damage

/ˈdæm.ɪdʒ/

(noun) schade, beschadiging, schadevergoeding;

(verb) beschadigen, schaden

Voorbeeld:

The storm caused extensive damage to the roof.
De storm veroorzaakte uitgebreide schade aan het dak.

deal

/diːl/

(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;

(verb) delen, uitdelen, omgaan met

Voorbeeld:

They closed a big deal with the new client.
Ze sloten een grote deal met de nieuwe klant.

decade

/ˈdek.eɪd/

(noun) decennium

Voorbeeld:

The 1990s was a memorable decade for music.
De jaren 90 waren een memorabel decennium voor muziek.

decorate

/ˈdek.ər.eɪt/

(verb) decoreren, versieren, schilderen

Voorbeeld:

We decided to decorate the living room with new paintings.
We besloten de woonkamer te decoreren met nieuwe schilderijen.

deep

/diːp/

(adjective) diep, intens, laag;

(adverb) diep

Voorbeeld:

The well is very deep.
De put is erg diep.

define

/dɪˈfaɪn/

(verb) definiëren, omschrijven, afbakenen

Voorbeeld:

The dictionary defines 'love' in many ways.
Het woordenboek definieert 'liefde' op vele manieren.

definite

/ˈdef.ən.ət/

(adjective) definitief, duidelijk, bepaald

Voorbeeld:

We need a definite answer by tomorrow.
We hebben morgen een definitief antwoord nodig.

definition

/ˌdef.ɪˈnɪʃ.ən/

(noun) definitie, omschrijving, scherpte

Voorbeeld:

Look up the definition of 'ephemeral' in the dictionary.
Zoek de definitie van 'ephemeral' op in het woordenboek.

deliver

/dɪˈlɪv.ɚ/

(verb) bezorgen, leveren, opleveren

Voorbeeld:

The postman delivered the mail this morning.
De postbode bezorgde de post vanmorgen.

departure

/dɪˈpɑːr.tʃɚ/

(noun) vertrek, afreis, afwijking

Voorbeeld:

Our departure was delayed due to bad weather.
Ons vertrek werd vertraagd door slecht weer.

despite

/dɪˈspaɪt/

(preposition) ondanks

Voorbeeld:

She succeeded despite the many challenges.
Ze slaagde ondanks de vele uitdagingen.

destination

/ˌdes.təˈneɪ.ʃən/

(noun) bestemming

Voorbeeld:

Our final destination is Paris.
Onze eindbestemming is Parijs.

determine

/dɪˈtɝː.mɪn/

(verb) bepalen, vaststellen, uitvinden

Voorbeeld:

The success of the project will determine our future.
Het succes van het project zal onze toekomst bepalen.

determined

/dɪˈtɝː.mɪnd/

(adjective) vastbesloten, vastberaden;

(verb) vastgesteld, bepaald

Voorbeeld:

She was determined to succeed.
Ze was vastbesloten om te slagen.

development

/dɪˈvel.əp.mənt/

(noun) ontwikkeling, gebeurtenis, wijk

Voorbeeld:

The development of new technologies is crucial for economic growth.
De ontwikkeling van nieuwe technologieën is cruciaal voor economische groei.

diagram

/ˈdaɪ.ə.ɡræm/

(noun) diagram, schema, tekening;

(verb) diagrammeren, schematiseren

Voorbeeld:

The teacher drew a diagram of the human heart on the board.
De leraar tekende een diagram van het menselijk hart op het bord.

diamond

/ˈdaɪ.ə.mənd/

(noun) diamant, ruit, diamantvorm

Voorbeeld:

She wore a beautiful diamond necklace.
Ze droeg een prachtige diamanten ketting.

difficulty

/ˈdɪf.ə.kəl.t̬i/

(noun) moeilijkheid, probleem, obstakel

Voorbeeld:

We faced many difficulties during the project.
We kwamen veel moeilijkheden tegen tijdens het project.

direct

/daɪˈrekt/

(adjective) direct, rechtstreeks, onmiddellijk;

(verb) leiden, besturen, dirigeren;

(adverb) direct, rechtstreeks

Voorbeeld:

Take a direct route to the station.
Neem een directe route naar het station.

directly

/daɪˈrekt.li/

(adverb) rechtstreeks, direct, onmiddellijk

Voorbeeld:

He walked directly to the door.
Hij liep rechtstreeks naar de deur.

dirt

/dɝːt/

(noun) grond, aarde, vuil

Voorbeeld:

The children were playing in the dirt.
De kinderen speelden in de grond.

disadvantage

/ˌdɪs.ədˈvæn.t̬ɪdʒ/

(noun) nadeel, handicap;

(verb) benadelen, handicappen

Voorbeeld:

His lack of experience was a major disadvantage.
Zijn gebrek aan ervaring was een groot nadeel.

disappointed

/ˌdɪs.əˈpɔɪn.t̬ɪd/

(adjective) teleurgesteld

Voorbeeld:

She was deeply disappointed with her exam results.
Ze was diep teleurgesteld over haar examenresultaten.

disappointing

/ˌdɪs.əˈpɔɪn.t̬ɪŋ/

(adjective) teleurstellend

Voorbeeld:

The movie had a very disappointing ending.
De film had een zeer teleurstellend einde.

discount

/ˈdɪs.kaʊnt/

(noun) korting, reductie;

(verb) korting geven, afprijzen, negeren

Voorbeeld:

They offer a 10% discount for students.
Ze bieden 10% korting voor studenten.

dislike

/dɪˈslaɪk/

(noun) afkeer, hekel;

(verb) niet houden van, afkeer hebben van

Voorbeeld:

She has a strong dislike for seafood.
Ze heeft een sterke afkeer van zeevruchten.

divide

/dɪˈvaɪd/

(verb) verdelen, scheiden, delen;

(noun) scheiding, grens

Voorbeeld:

We need to divide the cake into equal slices.
We moeten de taart in gelijke plakken verdelen.

documentary

/ˌdɑː.kjəˈmen.t̬ɚ.i/

(noun) documentaire;

(adjective) documentair

Voorbeeld:

We watched a fascinating documentary about ancient Egypt.
We keken naar een fascinerende documentaire over het oude Egypte.

donate

/ˈdoʊ.neɪt/

(verb) doneren, schenken

Voorbeeld:

She decided to donate all her old clothes to a local shelter.
Ze besloot al haar oude kleren te doneren aan een plaatselijke opvang.

double

/ˈdʌb.əl/

(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;

(verb) verdubbelen;

(adverb) dubbel, twee keer zoveel;

(noun) dubbele, tweehonkslag

Voorbeeld:

She ordered a double espresso.
Ze bestelde een dubbele espresso.

doubt

/daʊt/

(noun) twijfel, onzekerheid;

(verb) twijfelen, betwijfelen

Voorbeeld:

I have no doubt that she will succeed.
Ik heb er geen twijfel over dat ze zal slagen.

dressed

/drest/

(adjective) gekleed, aangekleed, aangemaakt;

(verb) aankleden, kleden, verbanden

Voorbeeld:

She was dressed in a beautiful blue gown.
Ze was gekleed in een prachtige blauwe jurk.

drop

/drɑːp/

(noun) druppel, daling, val;

(verb) laten vallen, neerlaten, dalen

Voorbeeld:

A drop of rain fell on my nose.
Een druppel regen viel op mijn neus.

drum

/drʌm/

(noun) trommel, vat, cilinder;

(verb) trommelen, kloppen

Voorbeeld:

He played the drum with great enthusiasm.
Hij speelde met veel enthousiasme op de trommel.

drunk

/drʌŋk/

(adjective) dronken;

(noun) dronkaard, alcoholist;

(past participle) gedronken

Voorbeeld:

He was so drunk he could barely stand.
Hij was zo dronken dat hij nauwelijks kon staan.

due

/duː/

(adjective) verwacht, verschuldigd, te betalen;

(adverb) rechtstreeks, precies;

(noun) contributie, kosten

Voorbeeld:

The train is due to arrive at 3 PM.
De trein wordt verwacht om 15.00 uur aan te komen.

dust

/dʌst/

(noun) stof;

(verb) afstoffen, bestrooien, besprenkelen

Voorbeeld:

The old books were covered in a thick layer of dust.
De oude boeken waren bedekt met een dikke laag stof.

duty

/ˈduː.t̬i/

(noun) plicht, verantwoordelijkheid, accijns

Voorbeeld:

It is your duty to report any suspicious activity.
Het is jouw plicht om verdachte activiteiten te melden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland