Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter E

Vocabulaireverzameling A2 - Letter E in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter E' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

earn

/ɝːn/

(verb) verdienen

Voorbeeld:

She works hard to earn a living.
Ze werkt hard om de kost te verdienen.

earth

/ɝːθ/

(noun) aarde, wereld, grond;

(verb) aarden, gronden

Voorbeeld:

The Earth revolves around the Sun.
De aarde draait om de zon.

easily

/ˈiː.zəl.i/

(adverb) gemakkelijk, eenvoudig, veruit

Voorbeeld:

She can easily lift that box.
Ze kan die doos gemakkelijk optillen.

education

/ˌedʒ.əˈkeɪ.ʃən/

(noun) onderwijs, opleiding, leerervaring

Voorbeeld:

She received her education at a prestigious university.
Ze ontving haar opleiding aan een prestigieuze universiteit.

effect

/əˈfekt/

(noun) effect, gevolg, indruk;

(verb) teweegbrengen, uitvoeren

Voorbeeld:

The new policy had a positive effect on the economy.
Het nieuwe beleid had een positief effect op de economie.

either

/ˈiː.ðɚ/

(determiner) ofwel, beide, elke;

(pronoun) één van beide, elk van de twee;

(adverb) ook niet

Voorbeeld:

You can either stay or leave.
Je kunt ofwel blijven of weggaan.

electric

/ɪˈlek.trɪk/

(adjective) elektrisch, geladen, opwindend

Voorbeeld:

She bought a new electric car.
Ze kocht een nieuwe elektrische auto.

electrical

/iˈlek.trɪ.kəl/

(adjective) elektrisch, op elektriciteit werkend

Voorbeeld:

The house needs new electrical wiring.
Het huis heeft nieuwe elektrische bedrading nodig.

electricity

/ɪˌlekˈtrɪs.ə.t̬i/

(noun) elektriciteit, stroom

Voorbeeld:

The house runs on solar electricity.
Het huis draait op zonne-elektriciteit.

electronic

/iˌlekˈtrɑː.nɪk/

(adjective) elektronisch

Voorbeeld:

Modern cars have many electronic systems.
Moderne auto's hebben veel elektronische systemen.

employ

/ɪmˈplɔɪ/

(verb) employeren, in dienst nemen, gebruiken

Voorbeeld:

The company decided to employ more staff to handle the increased workload.
Het bedrijf besloot meer personeel te employeren om de toegenomen werkdruk aan te kunnen.

employee

/ɪmˈplɔɪ.iː/

(noun) werknemer, medewerker

Voorbeeld:

The company has over 500 employees worldwide.
Het bedrijf heeft wereldwijd meer dan 500 werknemers.

employer

/ɪmˈplɔɪ.ɚ/

(noun) werkgever

Voorbeeld:

My employer offers great benefits.
Mijn werkgever biedt geweldige voordelen.

empty

/ˈemp.ti/

(adjective) leeg, zinloos;

(verb) legen, leegmaken

Voorbeeld:

The box was completely empty.
De doos was helemaal leeg.

ending

/ˈen.dɪŋ/

(noun) einde, slot, uitgang

Voorbeeld:

The movie had a surprising ending.
De film had een verrassend einde.

energy

/ˈen.ɚ.dʒi/

(noun) energie, levenskracht

Voorbeeld:

She has a lot of energy for her age.
Ze heeft veel energie voor haar leeftijd.

engine

/ˈen.dʒɪn/

(noun) motor, machine, locomotief

Voorbeeld:

The car's engine started with a roar.
De motor van de auto startte met een brul.

engineer

/ˌen.dʒɪˈnɪr/

(noun) ingenieur;

(verb) ontwerpen, bouwen, manipuleren

Voorbeeld:

My brother is a software engineer.
Mijn broer is een software-ingenieur.

enormous

/əˈnɔːr.məs/

(adjective) enorm, reusachtig, gigantisch

Voorbeeld:

The company made an enormous profit this year.
Het bedrijf maakte dit jaar een enorme winst.

enter

/ˈen.t̬ɚ/

(verb) binnengaan, ingaan, invoeren

Voorbeeld:

He entered the room quietly.
Hij ging de kamer stil binnen.

environment

/ɪnˈvaɪ.rə.mənt/

(noun) omgeving, milieu, natuur

Voorbeeld:

The polar bear's natural environment is the Arctic.
De natuurlijke omgeving van de ijsbeer is het Noordpoolgebied.

equipment

/ɪˈkwɪp.mənt/

(noun) apparatuur, uitrusting

Voorbeeld:

The laboratory is equipped with state-of-the-art equipment.
Het laboratorium is uitgerust met state-of-the-art apparatuur.

error

/ˈer.ɚ/

(noun) fout, vergissing, dwaling

Voorbeeld:

There was an error in the calculation.
Er zat een fout in de berekening.

especially

/ɪˈspeʃ.əl.i/

(adverb) vooral, in het bijzonder, speciaal

Voorbeeld:

I love all fruits, but especially mangoes.
Ik hou van alle vruchten, maar vooral mango's.

essay

/ˈes.eɪ/

(noun) essay, opstel;

(verb) proberen, uitproberen

Voorbeeld:

She wrote an essay on the history of art.
Ze schreef een essay over de geschiedenis van de kunst.

everyday

/ˈev.ri.deɪ/

(adjective) alledaags, dagelijks

Voorbeeld:

This is my everyday jacket, I wear it all the time.
Dit is mijn alledaagse jas, ik draag hem altijd.

everywhere

/ˈev.ri.wer/

(adverb) overal

Voorbeeld:

I looked for my keys everywhere.
Ik zocht overal naar mijn sleutels.

evidence

/ˈev.ə.dəns/

(noun) bewijs, aanwijzing;

(verb) aantonen, bewijzen, aangeven

Voorbeeld:

There is no scientific evidence to support his claim.
Er is geen wetenschappelijk bewijs om zijn bewering te ondersteunen.

exact

/ɪɡˈzækt/

(adjective) exact, precies, nauwkeurig;

(verb) eisen, afdwingen, heffen

Voorbeeld:

The exact time of the meeting is 3:00 PM.
De exacte tijd van de vergadering is 15:00 uur.

exactly

/ɪɡˈzækt.li/

(adverb) precies, exact, inderdaad

Voorbeeld:

The measurements must be exactly right.
De metingen moeten precies kloppen.

excellent

/ˈek.səl.ənt/

(adjective) uitstekend, voortreffelijk

Voorbeeld:

The food at the restaurant was excellent.
Het eten in het restaurant was uitstekend.

except

/ɪkˈsept/

(preposition) behalve, uitgezonderd;

(conjunction) behalve, tenzij;

(verb) uitzonderen, uitsluiten

Voorbeeld:

Everyone went to the party except John.
Iedereen ging naar het feest behalve John.

exist

/ɪɡˈzɪst/

(verb) bestaan, er zijn, overleven

Voorbeeld:

Does life exist on other planets?
Bestaat er leven op andere planeten?

expect

/ɪkˈspekt/

(verb) verwachten, eisen

Voorbeeld:

I expect him to arrive any minute now.
Ik verwacht dat hij elk moment zal arriveren.

experience

/ɪkˈspɪr.i.əns/

(noun) ervaring, belevenis;

(verb) ervaren, ondervinden

Voorbeeld:

He has a lot of experience in teaching.
Hij heeft veel ervaring in het lesgeven.

experiment

/ɪkˈsper.ə.mənt/

(noun) experiment, proef, uitprobeersel;

(verb) experimenteren, uitproberen

Voorbeeld:

The scientists conducted an experiment to test their new theory.
De wetenschappers voerden een experiment uit om hun nieuwe theorie te testen.

expert

/ˈek.spɝːt/

(noun) expert, deskundige;

(adjective) deskundig, bekwaam

Voorbeeld:

She is an expert in ancient history.
Zij is een expert in oude geschiedenis.

explanation

/ˌek.spləˈneɪ.ʃən/

(noun) verklaring, uitleg

Voorbeeld:

Can you give me an explanation for your absence?
Kun je me een verklaring geven voor je afwezigheid?

express

/ɪkˈspres/

(verb) uiten, uitdrukken, verzenden;

(adjective) expres, snel, uitdrukkelijk;

(noun) expres, sneltrein, snelbus;

(adverb) expres, snel

Voorbeeld:

She wanted to express her gratitude.
Ze wilde haar dankbaarheid uiten.

expression

/ɪkˈspreʃ.ən/

(noun) uitdrukking, expressie, zegswijze

Voorbeeld:

Art is a form of self-expression.
Kunst is een vorm van zelfexpressie.

extreme

/ɪkˈstriːm/

(adjective) extreem, uiterst, uiterste;

(noun) uiterste, extreem

Voorbeeld:

The weather conditions were extreme.
De weersomstandigheden waren extreem.

extremely

/ɪkˈstriːm.li/

(adverb) extreem, uitermate

Voorbeeld:

She was extremely happy with the results.
Ze was extreem blij met de resultaten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland