Avatar of Vocabulary Set A2 - Letter D

Vocabulaireverzameling A2 - Letter D in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter D' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

daily

/ˈdeɪ.li/

(adjective) dagelijks;

(adverb) dagelijks, elke dag;

(noun) dagblad, dagelijkse krant

Voorbeeld:

She reads the daily newspaper.
Ze leest de dagelijkse krant.

danger

/ˈdeɪn.dʒɚ/

(noun) gevaar, risico

Voorbeeld:

The climbers faced great danger on the icy mountain.
De klimmers stonden voor groot gevaar op de ijzige berg.

dark

/dɑːrk/

(adjective) donker, sinister;

(noun) donker, duisternis

Voorbeeld:

It's getting dark outside.
Het wordt donker buiten.

data

/ˈdeɪ.t̬ə/

(noun) gegevens, data

Voorbeeld:

The company collects customer data to improve its services.
Het bedrijf verzamelt klantengegevens om zijn diensten te verbeteren.

dead

/ded/

(adjective) dood, overleden, inactief;

(adverb) helemaal, volledig;

(noun) diepte, midden

Voorbeeld:

The bird was found dead in the garden.
De vogel werd dood in de tuin gevonden.

deal

/diːl/

(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;

(verb) delen, uitdelen, omgaan met

Voorbeeld:

They closed a big deal with the new client.
Ze sloten een grote deal met de nieuwe klant.

dear

/dɪr/

(adjective) lief, dierbaar, geachte;

(noun) liefste, schat;

(exclamation) oh jee, ach

Voorbeeld:

She is a dear friend to me.
Ze is een dierbare vriendin voor mij.

death

/deθ/

(noun) dood, overlijden, einde

Voorbeeld:

The cause of death was a heart attack.
De oorzaak van overlijden was een hartaanval.

decision

/dɪˈsɪʒ.ən/

(noun) beslissing

Voorbeeld:

We need to make a decision soon.
We moeten snel een beslissing nemen.

deep

/diːp/

(adjective) diep, intens, laag;

(adverb) diep

Voorbeeld:

The well is very deep.
De put is erg diep.

definitely

/ˈdef.ən.ət.li/

(adverb) zeker, beslist, duidelijk

Voorbeeld:

I will definitely be there on time.
Ik zal er zeker op tijd zijn.

degree

/dɪˈɡriː/

(noun) mate, graad, diploma

Voorbeeld:

To what degree do you agree with this statement?
In welke mate bent u het eens met deze verklaring?

dentist

/ˈden.t̬ɪst/

(noun) tandarts

Voorbeeld:

I have an appointment with the dentist tomorrow.
Ik heb morgen een afspraak met de tandarts.

department

/dɪˈpɑːrt.mənt/

(noun) afdeling, departement, warenhuis

Voorbeeld:

She works in the marketing department.
Zij werkt op de marketingafdeling.

depend

/dɪˈpend/

(verb) afhangen van, afhankelijk zijn van, rekenen op

Voorbeeld:

The success of the project will depend on everyone's cooperation.
Het succes van het project zal afhangen van ieders medewerking.

desert

/ˈdez.ɚt/

(noun) woestijn;

(verb) verlaten, deserteren

Voorbeeld:

The Sahara is the largest hot desert in the world.
De Sahara is de grootste hete woestijn ter wereld.

designer

/dɪˈzaɪ.nɚ/

(noun) ontwerper;

(adjective) designer, merk

Voorbeeld:

She works as a fashion designer for a major clothing brand.
Ze werkt als modeontwerper voor een groot kledingmerk.

destroy

/dɪˈstrɔɪ/

(verb) vernietigen, verwoesten, kapotmaken

Voorbeeld:

The fire completely destroyed the old building.
De brand verwoestte het oude gebouw volledig.

detective

/dɪˈtek.tɪv/

(noun) detective, rechercheur;

(adjective) detecterend, opsporend

Voorbeeld:

The detective gathered clues at the crime scene.
De detective verzamelde aanwijzingen op de plaats delict.

develop

/dɪˈvel.əp/

(verb) ontwikkelen, groeien, krijgen

Voorbeeld:

The company plans to develop new software.
Het bedrijf is van plan nieuwe software te ontwikkelen.

device

/dɪˈvaɪs/

(noun) apparaat, toestel, plan

Voorbeeld:

This new device can translate languages in real-time.
Dit nieuwe apparaat kan talen in realtime vertalen.

diary

/ˈdaɪr.i/

(noun) dagboek, agenda

Voorbeeld:

She writes in her diary every night before bed.
Ze schrijft elke avond voor het slapengaan in haar dagboek.

differently

/ˈdɪf.ɚ.ənt.li/

(adverb) anders, op een andere manier

Voorbeeld:

She decided to approach the problem differently this time.
Ze besloot het probleem deze keer anders aan te pakken.

digital

/ˈdɪdʒ.ə.t̬əl/

(adjective) digitaal, vinger-

Voorbeeld:

The company is investing heavily in digital transformation.
Het bedrijf investeert zwaar in digitale transformatie.

direct

/daɪˈrekt/

(adjective) direct, rechtstreeks, onmiddellijk;

(verb) leiden, besturen, dirigeren;

(adverb) direct, rechtstreeks

Voorbeeld:

Take a direct route to the station.
Neem een directe route naar het station.

direction

/dɪˈrek.ʃən/

(noun) richting, leiding, aanwijzing

Voorbeeld:

Which direction should we go?
Welke richting moeten we op?

director

/daɪˈrek.tɚ/

(noun) directeur, bestuurder, regisseur

Voorbeeld:

The board of directors held their monthly meeting.
De raad van bestuur hield hun maandelijkse vergadering.

disagree

/ˌdɪs.əˈɡriː/

(verb) het oneens zijn, verschillen van mening

Voorbeeld:

My brother and I often disagree on politics.
Mijn broer en ik verschillen vaak van mening over politiek.

disappear

/ˌdɪs.əˈpɪr/

(verb) verdwijnen, uitsterven

Voorbeeld:

The magician made the rabbit disappear.
De goochelaar liet het konijn verdwijnen.

disaster

/dɪˈzæs.tɚ/

(noun) ramp, catastrofe, mislukking

Voorbeeld:

The earthquake was a natural disaster that devastated the region.
De aardbeving was een natuurlijke ramp die de regio verwoestte.

discover

/dɪˈskʌv.ɚ/

(verb) ontdekken, vinden, erachter komen

Voorbeeld:

Scientists hope to discover a cure for cancer.
Wetenschappers hopen een geneesmiddel voor kanker te ontdekken.

discovery

/dɪˈskʌv.ɚ.i/

(noun) ontdekking, vondst

Voorbeeld:

The discovery of penicillin revolutionized medicine.
De ontdekking van penicilline bracht een revolutie teweeg in de geneeskunde.

discussion

/dɪˈskʌʃ.ən/

(noun) discussie, gesprek, overleg

Voorbeeld:

We had a long discussion about the new project.
We hadden een lange discussie over het nieuwe project.

disease

/dɪˈziːz/

(noun) ziekte, aandoening

Voorbeeld:

Heart disease is a major cause of death.
Hartziekte is een belangrijke doodsoorzaak.

distance

/ˈdɪs.təns/

(noun) afstand, verte, reserve;

(verb) distantiëren, afstand nemen

Voorbeeld:

The distance from my house to the school is about two miles.
De afstand van mijn huis naar school is ongeveer twee mijl.

divorced

/dɪˈvɔːrst/

(adjective) gescheiden;

(past participle) scheidde, gescheiden

Voorbeeld:

After twenty years of marriage, they decided to get divorced.
Na twintig jaar huwelijk besloten ze te scheiden.

document

/ˈdɑː.kjə.mənt/

(noun) document, akte;

(verb) documenteren, vastleggen

Voorbeeld:

Please sign all the necessary documents before leaving.
Gelieve alle benodigde documenten te ondertekenen voordat u vertrekt.

double

/ˈdʌb.əl/

(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;

(verb) verdubbelen;

(adverb) dubbel, twee keer zoveel;

(noun) dubbele, tweehonkslag

Voorbeeld:

She ordered a double espresso.
Ze bestelde een dubbele espresso.

download

/ˈdaʊn.loʊd/

(verb) downloaden;

(noun) download, gedownload bestand

Voorbeeld:

I need to download the latest software update.
Ik moet de nieuwste software-update downloaden.

downstairs

/ˌdaʊnˈsterz/

(adverb) beneden, naar beneden;

(adjective) beneden, onder;

(noun) benedenverdieping

Voorbeeld:

She went downstairs to answer the door.
Ze ging naar beneden om de deur te openen.

drama

/ˈdræm.ə/

(noun) drama, toneelstuk, opwinding

Voorbeeld:

She loves watching historical dramas on TV.
Ze kijkt graag naar historische drama's op tv.

drawing

/ˈdrɑː.ɪŋ/

(noun) tekening, tekenen, het tekenen

Voorbeeld:

She showed me a beautiful drawing of a landscape.
Ze liet me een prachtige tekening van een landschap zien.

dream

/driːm/

(noun) droom, aspiratie, ideaal;

(verb) dromen, aspireren

Voorbeeld:

I had a strange dream last night.
Ik had een vreemde droom gisteravond.

drive

/draɪv/

(verb) rijden, besturen, drijven;

(noun) rit, autorit, drang

Voorbeeld:

She learned to drive when she was sixteen.
Ze leerde rijden toen ze zestien was.

driving

/ˈdraɪ.vɪŋ/

(noun) rijden, besturen;

(adjective) drijvend, stuwend, hevig

Voorbeeld:

He enjoys long-distance driving.
Hij geniet van langeafstandsrijden.

drop

/drɑːp/

(noun) druppel, daling, val;

(verb) laten vallen, neerlaten, dalen

Voorbeeld:

A drop of rain fell on my nose.
Een druppel regen viel op mijn neus.

drug

/drʌɡ/

(noun) medicijn, geneesmiddel, drugs;

(verb) drogeren, verdoven

Voorbeeld:

The doctor prescribed a new drug for her condition.
De dokter schreef een nieuw medicijn voor haar aandoening voor.

dry

/draɪ/

(adjective) droog, dor, dorstig;

(verb) drogen

Voorbeeld:

The clothes are still dry.
De kleren zijn nog steeds droog.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland