Vocabulaireverzameling A2 - Letter D in Oxford 3000 - A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Letter D' in 'Oxford 3000 - A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) dagelijks;
(adverb) dagelijks, elke dag;
(noun) dagblad, dagelijkse krant
Voorbeeld:
(noun) gevaar, risico
Voorbeeld:
(adjective) donker, sinister;
(noun) donker, duisternis
Voorbeeld:
(noun) gegevens, data
Voorbeeld:
(adjective) dood, overleden, inactief;
(adverb) helemaal, volledig;
(noun) diepte, midden
Voorbeeld:
(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;
(verb) delen, uitdelen, omgaan met
Voorbeeld:
(adjective) lief, dierbaar, geachte;
(noun) liefste, schat;
(exclamation) oh jee, ach
Voorbeeld:
(noun) dood, overlijden, einde
Voorbeeld:
(noun) beslissing
Voorbeeld:
(adjective) diep, intens, laag;
(adverb) diep
Voorbeeld:
(adverb) zeker, beslist, duidelijk
Voorbeeld:
(noun) mate, graad, diploma
Voorbeeld:
(noun) tandarts
Voorbeeld:
(noun) afdeling, departement, warenhuis
Voorbeeld:
(verb) afhangen van, afhankelijk zijn van, rekenen op
Voorbeeld:
(noun) woestijn;
(verb) verlaten, deserteren
Voorbeeld:
(noun) ontwerper;
(adjective) designer, merk
Voorbeeld:
(verb) vernietigen, verwoesten, kapotmaken
Voorbeeld:
(noun) detective, rechercheur;
(adjective) detecterend, opsporend
Voorbeeld:
(verb) ontwikkelen, groeien, krijgen
Voorbeeld:
(noun) apparaat, toestel, plan
Voorbeeld:
(noun) dagboek, agenda
Voorbeeld:
(adverb) anders, op een andere manier
Voorbeeld:
(adjective) digitaal, vinger-
Voorbeeld:
(adjective) direct, rechtstreeks, onmiddellijk;
(verb) leiden, besturen, dirigeren;
(adverb) direct, rechtstreeks
Voorbeeld:
(noun) richting, leiding, aanwijzing
Voorbeeld:
(noun) directeur, bestuurder, regisseur
Voorbeeld:
(verb) het oneens zijn, verschillen van mening
Voorbeeld:
(verb) verdwijnen, uitsterven
Voorbeeld:
(noun) ramp, catastrofe, mislukking
Voorbeeld:
(verb) ontdekken, vinden, erachter komen
Voorbeeld:
(noun) ontdekking, vondst
Voorbeeld:
(noun) discussie, gesprek, overleg
Voorbeeld:
(noun) ziekte, aandoening
Voorbeeld:
(noun) afstand, verte, reserve;
(verb) distantiëren, afstand nemen
Voorbeeld:
(adjective) gescheiden;
(past participle) scheidde, gescheiden
Voorbeeld:
(noun) document, akte;
(verb) documenteren, vastleggen
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(verb) downloaden;
(noun) download, gedownload bestand
Voorbeeld:
(adverb) beneden, naar beneden;
(adjective) beneden, onder;
(noun) benedenverdieping
Voorbeeld:
(noun) drama, toneelstuk, opwinding
Voorbeeld:
(noun) tekening, tekenen, het tekenen
Voorbeeld:
(noun) droom, aspiratie, ideaal;
(verb) dromen, aspireren
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld:
(noun) rijden, besturen;
(adjective) drijvend, stuwend, hevig
Voorbeeld:
(noun) druppel, daling, val;
(verb) laten vallen, neerlaten, dalen
Voorbeeld:
(noun) medicijn, geneesmiddel, drugs;
(verb) drogeren, verdoven
Voorbeeld:
(adjective) droog, dor, dorstig;
(verb) drogen
Voorbeeld: