Avatar of Vocabulary Set Top 376 - 400 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 376 - 400 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 376 - 400 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

promote

/prəˈmoʊt/

(verb) bevorderen, promoten, promoveren

Voorbeeld:

The organization works to promote peace and understanding.
De organisatie werkt aan het bevorderen van vrede en begrip.

deserve

/dɪˈzɝːv/

(verb) verdienen

Voorbeeld:

He deserves a medal for his bravery.
Hij verdient een medaille voor zijn moed.

oppose

/əˈpoʊz/

(verb) zich verzetten tegen, tegenwerken, tegenover plaatsen

Voorbeeld:

Many people oppose the new policy.
Veel mensen verzetten zich tegen het nieuwe beleid.

shape

/ʃeɪp/

(noun) vorm, gestalte, structuur;

(verb) vormen, modelleren

Voorbeeld:

The artist molded the clay into a beautiful shape.
De kunstenaar vormde de klei tot een prachtige vorm.

relax

/rɪˈlæks/

(verb) ontspannen, tot rust komen, versoepelen

Voorbeeld:

After a long day, I like to relax with a good book.
Na een lange dag, vind ik het fijn om te ontspannen met een goed boek.

emerge

/ɪˈmɝːdʒ/

(verb) tevoorschijn komen, opduiken, bekend worden

Voorbeeld:

The sun emerged from behind the clouds.
De zon kwam tevoorschijn achter de wolken vandaan.

flow

/floʊ/

(noun) stroom, vloei, flow;

(verb) stromen, vloeien

Voorbeeld:

The flow of water in the river increased after the rain.
De stroom water in de rivier nam toe na de regen.

rest

/rest/

(noun) rust, pauze, rest;

(verb) rusten, uitrusten, liggen

Voorbeeld:

I need to take a rest after a long day.
Ik moet rusten na een lange dag.

shout

/ʃaʊt/

(verb) schreeuwen, roepen;

(noun) schreeuw, roep

Voorbeeld:

She had to shout to be heard over the music.
Ze moest schreeuwen om boven de muziek uit te komen.

defend

/dɪˈfend/

(verb) verdedigen, beschermen, pleiten voor

Voorbeeld:

The soldiers bravely defended the city.
De soldaten verdedigden moedig de stad.

engage

/ɪnˈɡeɪdʒ/

(verb) betrekken, boeien, aantrekken;

(adjective) bezet, verwikkeld

Voorbeeld:

The story was so captivating that it fully engaged my attention.
Het verhaal was zo boeiend dat het mijn aandacht volledig vasthield.

yell

/jel/

(noun) gil, schreeuw;

(verb) schreeuwen, gillen

Voorbeeld:

He let out a yell of pain.
Hij slaakte een gil van pijn.

knock

/nɑːk/

(noun) klop, tik, klap;

(verb) kloppen, tikken, stoten

Voorbeeld:

She heard a knock at the door.
Ze hoorde een klop op de deur.

predict

/prɪˈdɪkt/

(verb) voorspellen, voorzeggen

Voorbeeld:

It's difficult to predict the outcome of the election.
Het is moeilijk om de uitslag van de verkiezingen te voorspellen.

mind

/maɪnd/

(noun) geest, verstand, aandacht;

(verb) erg vinden, bezwaar hebben tegen, opletten

Voorbeeld:

She has a brilliant mind.
Ze heeft een briljante geest.

heal

/hiːl/

(verb) genezen, helen

Voorbeeld:

The wound will heal quickly with proper care.
De wond zal snel genezen met de juiste zorg.

extend

/ɪkˈstend/

(verb) verlengen, uitbreiden, aanbieden

Voorbeeld:

We plan to extend the kitchen by two meters.
We zijn van plan de keuken met twee meter te verlengen.

track

/træk/

(noun) pad, spoor, rupsband;

(verb) volgen, traceren, monitoren

Voorbeeld:

The old logging track was overgrown with weeds.
Het oude houthakkerspad was overwoekerd met onkruid.

indicate

/ˈɪn.də.keɪt/

(verb) aangeven, wijzen op, duiden op

Voorbeeld:

Please indicate your preference by checking the box.
Gelieve uw voorkeur aan te geven door het vakje aan te vinken.

mark

/mɑːrk/

(noun) teken, merk, cijfer;

(verb) markeren, vlekken, aanduiden

Voorbeeld:

The teacher put a red mark on the incorrect answers.
De leraar zette een rode markering op de foute antwoorden.

split

/splɪt/

(verb) splitsen, verdelen, splijten;

(noun) splitsing, scheiding, spagaat;

(adjective) gespleten, verdeeld

Voorbeeld:

The company decided to split into two separate entities.
Het bedrijf besloot zich te splitsen in twee afzonderlijke entiteiten.

wrap

/ræp/

(verb) wikkelen, inpakken, afronden;

(noun) omslagdoek, wikkel, wrap

Voorbeeld:

She decided to wrap the gift in colorful paper.
Ze besloot het cadeau in kleurrijk papier te wikkelen.

interact

/ˌɪn.t̬ɚˈækt/

(verb) interageren, op elkaar inwerken

Voorbeeld:

The two chemicals interact to form a new compound.
De twee chemicaliën interageren om een nieuwe verbinding te vormen.

state

/steɪt/

(noun) staat, toestand;

(verb) verklaren, stellen

Voorbeeld:

The United States is a large country.
De Verenigde Staten is een groot land.

waste

/weɪst/

(noun) afval, resten, verspilling;

(verb) verspillen, verkwisten, verkwijnen;

(adjective) woest, braakliggend

Voorbeeld:

The factory produces a lot of chemical waste.
De fabriek produceert veel chemisch afval.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland