Avatar of Vocabulary Set Top 351 - 375 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 351 - 375 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 351 - 375 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

drag

/dræɡ/

(verb) slepen, trekken, voortslepen;

(noun) sleep, weerstand, drag

Voorbeeld:

She had to drag the heavy suitcase up the stairs.
Ze moest de zware koffer de trap op slepen.

expose

/ɪkˈspoʊz/

(verb) blootstellen, onthullen, blootstellen aan

Voorbeeld:

The archaeological dig exposed ancient ruins.
De archeologische opgraving legde oude ruïnes bloot.

consume

/kənˈsuːm/

(verb) consumeren, eten, drinken

Voorbeeld:

Humans consume a variety of foods.
Mensen consumeren een verscheidenheid aan voedingsmiddelen.

paint

/peɪnt/

(noun) verf;

(verb) verven, schilderen

Voorbeeld:

The walls were covered in fresh white paint.
De muren waren bedekt met verse witte verf.

dig

/dɪɡ/

(verb) graven, spitten, opgraven;

(noun) graafwerk, opgraving, steek

Voorbeeld:

They decided to dig a well in their backyard.
Ze besloten een put te graven in hun achtertuin.

locate

/loʊˈkeɪt/

(verb) lokaliseren, vinden, vestigen

Voorbeeld:

Can you help me locate my lost keys?
Kun je me helpen mijn verloren sleutels te vinden?

store

/stɔːr/

(noun) winkel, zaak, voorraad;

(verb) opslaan, bewaren

Voorbeeld:

I need to go to the grocery store to buy some milk.
Ik moet naar de supermarkt om melk te kopen.

limit

/ˈlɪm.ɪt/

(noun) limiet, grens, maximum;

(verb) beperken, begrenzen

Voorbeeld:

There's a speed limit on this road.
Er is een snelheidslimiet op deze weg.

pour

/pɔːr/

(verb) stromen, gieten, schenken;

(noun) stroom, regenval

Voorbeeld:

Water poured from the broken pipe.
Water stroomde snel uit de gebroken pijp.

pronounce

/prəˈnaʊns/

(verb) uitspreken, verklaren

Voorbeeld:

How do you pronounce 'Worcestershire'?
Hoe spreek je 'Worcestershire' uit?

belong

/bɪˈlɑːŋ/

(verb) behoren tot, toebehoren aan, thuishoren

Voorbeeld:

This book belongs to me.
Dit boek behoort mij toe.

refuse

/rɪˈfjuːz/

(verb) weigeren, afwijzen;

(noun) afval, vuilnis

Voorbeeld:

He refused to answer any questions.
Hij weigerde alle vragen te beantwoorden.

hang

/hæŋ/

(verb) hangen, ophangen, verhangen;

(noun) val, ophanging

Voorbeeld:

She decided to hang the painting in the living room.
Ze besloot het schilderij in de woonkamer op te hangen.

pray

/preɪ/

(verb) bidden, hopen, wensen

Voorbeeld:

She knelt down to pray for guidance.
Ze knielde neer om te bidden om leiding.

block

/blɑːk/

(noun) blok, klomp, gebouw;

(verb) blokkeren, versperren, verhinderen

Voorbeeld:

He used a concrete block to prop open the door.
Hij gebruikte een betonnen blok om de deur open te houden.

convince

/kənˈvɪns/

(verb) overtuigen

Voorbeeld:

I hope this will convince you to change your mind.
Ik hoop dat dit je zal overtuigen om van gedachten te veranderen.

ignore

/ɪɡˈnɔːr/

(verb) negeren, voorbijgaan aan

Voorbeeld:

She tried to ignore his rude comments.
Ze probeerde zijn onbeschofte opmerkingen te negeren.

update

/ʌpˈdeɪt/

(verb) updaten, bijwerken, op de hoogte brengen;

(noun) update, bijwerking, laatste informatie

Voorbeeld:

We need to update our software to the latest version.
We moeten onze software updaten naar de nieuwste versie.

evolve

/ɪˈvɑːlv/

(verb) evolueren, zich ontwikkelen, ontwikkelen

Voorbeeld:

The company has evolved from a small startup into a multinational corporation.
Het bedrijf is geëvolueerd van een kleine startup naar een multinationale onderneming.

melt

/melt/

(verb) smelten, verzachten, wegsmelten;

(noun) dooi, smelt

Voorbeeld:

The ice cream started to melt in the sun.
Het ijs begon te smelten in de zon.

dream

/driːm/

(noun) droom, aspiratie, ideaal;

(verb) dromen, aspireren

Voorbeeld:

I had a strange dream last night.
Ik had een vreemde droom gisteravond.

organize

/ˈɔːr.ɡən.aɪz/

(verb) ordenen, organiseren, regelen

Voorbeeld:

She helped him organize his thoughts.
Ze hielp hem zijn gedachten te ordenen.

attract

/əˈtrækt/

(verb) aantrekken, boeien

Voorbeeld:

Magnets attract metal objects.
Magneten trekken metalen voorwerpen aan.

confirm

/kənˈfɝːm/

(verb) bevestigen, vaststellen, versterken

Voorbeeld:

Please confirm your attendance by Friday.
Gelieve uw aanwezigheid voor vrijdag te bevestigen.

spin

/spɪn/

(verb) draaien, rondtollen, spinnen;

(noun) draai, rondje, interpretatie

Voorbeeld:

The dancer began to spin on one foot.
De danser begon op één voet te draaien.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland