Avatar of Vocabulary Set Top 301 - 325 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 301 - 325 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 301 - 325 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cheat

/tʃiːt/

(verb) valsspelen, bedriegen, vreemdgaan;

(noun) valsspeler, bedrieger

Voorbeeld:

He was caught trying to cheat on the exam.
Hij werd betrapt toen hij probeerde te valsspelen bij het examen.

kid

/kɪd/

(noun) kind, jongere, geitje;

(verb) grappen, plagen

Voorbeeld:

The kid was playing in the park.
Het kind speelde in het park.

capture

/ˈkæp.tʃɚ/

(verb) vangen, veroveren, arresteren;

(noun) vangst, verovering, arrestatie

Voorbeeld:

The police managed to capture the suspect after a long chase.
De politie slaagde erin de verdachte te vangen na een lange achtervolging.

explore

/ɪkˈsplɔːr/

(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken

Voorbeeld:

They set out to explore the Amazon rainforest.
Ze gingen op pad om het Amazone regenwoud te verkennen.

establish

/ɪˈstæb.lɪʃ/

(verb) oprichten, vestigen, vaststellen

Voorbeeld:

The company was established in 1990.
Het bedrijf werd opgericht in 1990.

approach

/əˈproʊtʃ/

(verb) naderen, aankomen, benaderen;

(noun) aanpak, benadering, nadering

Voorbeeld:

As we approach the city, the traffic gets heavier.
Naarmate we de stad naderen, wordt het verkeer drukker.

invite

/ɪnˈvaɪt/

(verb) uitnodigen, aantrekken;

(noun) uitnodiging

Voorbeeld:

We'd like to invite you to our wedding.
We willen je graag uitnodigen voor onze bruiloft.

announce

/əˈnaʊns/

(verb) aankondigen, bekendmaken, melden

Voorbeeld:

The company will announce its new product next month.
Het bedrijf zal volgende maand zijn nieuwe product aankondigen.

order

/ˈɔːr.dɚ/

(noun) bevel, opdracht, volgorde;

(verb) bevelen, opdragen, bestellen

Voorbeeld:

The general gave the order to advance.
De generaal gaf het bevel om op te rukken.

tie

/taɪ/

(noun) das, stropdas, gelijkspel;

(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen

Voorbeeld:

He wore a suit and a red tie to the wedding.
Hij droeg een pak en een rode das naar de bruiloft.

divide

/dɪˈvaɪd/

(verb) verdelen, scheiden, delen;

(noun) scheiding, grens

Voorbeeld:

We need to divide the cake into equal slices.
We moeten de taart in gelijke plakken verdelen.

ensure

/ɪnˈʃʊr/

(verb) verzekeren, ervoor zorgen

Voorbeeld:

The new system will ensure that all data is secure.
Het nieuwe systeem zal ervoor zorgen dat alle gegevens veilig zijn.

bury

/ˈber.i/

(verb) begraven, verbergen, bedekken

Voorbeeld:

They decided to bury the treasure on a deserted island.
Ze besloten de schat op een verlaten eiland te begraven.

celebrate

/ˈsel.ə.breɪt/

(verb) vieren, prijzen, eren

Voorbeeld:

We're going to celebrate her birthday with a big party.
We gaan haar verjaardag vieren met een groot feest.

tap

/tæp/

(noun) kraan, tik, klapje;

(verb) tikken, aantikken, aftappen

Voorbeeld:

Please turn off the tap after washing your hands.
Draai de kraan dicht na het wassen van je handen.

press

/pres/

(verb) drukken, persen, strijken;

(noun) pers, media, drukpers

Voorbeeld:

Press the button to start the machine.
Druk op de knop om de machine te starten.

express

/ɪkˈspres/

(verb) uiten, uitdrukken, verzenden;

(adjective) expres, snel, uitdrukkelijk;

(noun) expres, sneltrein, snelbus;

(adverb) expres, snel

Voorbeeld:

She wanted to express her gratitude.
Ze wilde haar dankbaarheid uiten.

bend

/bend/

(verb) buigen, plooien, zwichten;

(noun) bocht, kromming

Voorbeeld:

He tried to bend the metal rod.
Hij probeerde de metalen staaf te buigen.

hire

/haɪr/

(verb) aannemen, inhuren, huren;

(noun) aanwerving, huur

Voorbeeld:

The company decided to hire a new marketing manager.
Het bedrijf besloot een nieuwe marketingmanager aan te nemen.

chop

/tʃɑːp/

(verb) hakken, snijden, slaan;

(noun) slag, hak, kotelet

Voorbeeld:

He began to chop wood for the fire.
Hij begon hout te hakken voor het vuur.

shake

/ʃeɪk/

(verb) schudden, trillen, schokken;

(noun) schudden, trilling

Voorbeeld:

He began to shake the bottle to mix the contents.
Hij begon de fles te schudden om de inhoud te mengen.

operate

/ˈɑː.pə.reɪt/

(verb) bedienen, exploiteren, werken

Voorbeeld:

Can you show me how to operate this new coffee machine?
Kunt u mij laten zien hoe ik deze nieuwe koffiemachine moet bedienen?

generate

/ˈdʒen.ə.reɪt/

(verb) genereren, produceren, creëren

Voorbeeld:

The new system will generate a lot of data.
Het nieuwe systeem zal veel gegevens genereren.

cross

/krɑːs/

(noun) kruis, kruising, hybride;

(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;

(adjective) boos, geïrriteerd

Voorbeeld:

Draw a cross on the map to mark the spot.
Teken een kruis op de kaart om de plek te markeren.

breathe

/briːð/

(verb) ademen, uiten, fluisteren

Voorbeeld:

She took a deep breath and began to breathe slowly.
Ze haalde diep adem en begon langzaam te ademen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland