Avatar of Vocabulary Set Top 476 - 500 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 476 - 500 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 476 - 500 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

file

/faɪl/

(noun) map, dossier, bestand;

(verb) archiveren, ordenen, indienen

Voorbeeld:

Please put these documents in the correct file.
Leg deze documenten alstublieft in de juiste map.

talk

/tɑːk/

(verb) praten, spreken, lezing geven;

(noun) gesprek, praatje, lezing

Voorbeeld:

Can we talk for a moment?
Kunnen we even praten?

path

/pæθ/

(noun) pad, weg, koers;

(verb) een pad banen, een weg creëren

Voorbeeld:

We followed the narrow path through the woods.
We volgden het smalle pad door het bos.

growth

/ɡroʊθ/

(noun) groei, toename, ontwikkeling

Voorbeeld:

The company experienced rapid growth in the last quarter.
Het bedrijf kende een snelle groei in het laatste kwartaal.

stress

/stres/

(noun) stress, spanning, klemtoon;

(verb) benadrukken, beklemtonen, stressen

Voorbeeld:

She's been under a lot of stress lately.
Ze heeft de laatste tijd veel stress gehad.

weapon

/ˈwep.ən/

(noun) wapen, middel

Voorbeeld:

The police found a dangerous weapon in his car.
De politie vond een gevaarlijk wapen in zijn auto.

gold

/ɡoʊld/

(noun) goud, goudkleur;

(adjective) gouden, goudkleurig, goud

Voorbeeld:

The ring is made of pure gold.
De ring is gemaakt van puur goud.

noise

/nɔɪz/

(noun) geluid, lawaai;

(verb) lawaai maken, geluid maken

Voorbeeld:

The sudden noise startled the cat.
Het plotselinge geluid deed de kat schrikken.

treatment

/ˈtriːt.mənt/

(noun) behandeling, omgang, therapie

Voorbeeld:

She received excellent treatment from the hospital staff.
Ze kreeg een uitstekende behandeling van het ziekenhuispersoneel.

trade

/treɪd/

(noun) handel, ruilhandel, vak;

(verb) handelen, ruilen, uitwisselen

Voorbeeld:

International trade has increased significantly.
Internationale handel is aanzienlijk toegenomen.

cancer

/ˈkæn.sɚ/

(noun) kanker, Kreeft, sterrenbeeld Kreeft

Voorbeeld:

She is undergoing treatment for lung cancer.
Ze ondergaat behandeling voor longkanker.

ocean

/ˈoʊ.ʃən/

(noun) oceaan, enorme hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast ocean.
Het schip zeilde over de uitgestrekte oceaan.

fruit

/fruːt/

(noun) fruit, vrucht, resultaat;

(verb) vruchten dragen, fruit produceren

Voorbeeld:

Apples and oranges are common types of fruit.
Appels en sinaasappels zijn veelvoorkomende soorten fruit.

vaccine

/vækˈsiːn/

(noun) vaccin, inenting;

(verb) vaccineren, inenten

Voorbeeld:

The new vaccine offers protection against several strains of the virus.
Het nieuwe vaccin biedt bescherming tegen verschillende stammen van het virus.

ear

/ɪr/

(noun) oor, aar, kolf

Voorbeeld:

She whispered something in his ear.
Ze fluisterde iets in zijn oor.

perspective

/pɚˈspek.tɪv/

(noun) perspectief, standpunt, dieptewerking

Voorbeeld:

Her unique perspective on the issue offered new insights.
Haar unieke perspectief op de kwestie bood nieuwe inzichten.

partner

/ˈpɑːrt.nɚ/

(noun) partner, vennoot, levensgezel;

(verb) partneren, samenwerken

Voorbeeld:

She became a junior partner in the law firm.
Ze werd een junior partner in het advocatenkantoor.

cup

/kʌp/

(noun) kop, kopje, hoeveelheid van een kop;

(verb) hol maken, omvatten

Voorbeeld:

She poured hot tea into her favorite cup.
Ze schonk hete thee in haar favoriete kopje.

belief

/bɪˈliːf/

(noun) geloof, overtuiging, principe

Voorbeeld:

His belief in God is unwavering.
Zijn geloof in God is onwankelbaar.

break

/breɪk/

(verb) breken, stukmaken, onderbreken;

(noun) pauze, onderbreking, uitbraak

Voorbeeld:

The glass will break if you drop it.
Het glas zal breken als je het laat vallen.

mission

/ˈmɪʃ.ən/

(noun) missie, opdracht, doel;

(verb) opdracht geven, uitzenden

Voorbeeld:

The diplomatic mission aimed to restore peace in the region.
De diplomatieke missie was gericht op het herstellen van vrede in de regio.

subject

/ˈsʌb.dʒekt/

(noun) onderwerp, thema, vak;

(verb) onderwerpen, blootstellen;

(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van

Voorbeeld:

The main subject of the meeting was the new budget.
Het hoofdonderwerp van de vergadering was de nieuwe begroting.

technique

/tekˈniːk/

(noun) techniek, methode

Voorbeeld:

He has a unique painting technique.
Hij heeft een unieke schildertechniek.

client

/ˈklaɪ.ənt/

(noun) cliënt, klant, client

Voorbeeld:

The lawyer met with his client to discuss the case.
De advocaat ontmoette zijn cliënt om de zaak te bespreken.

boss

/bɑːs/

(noun) baas, chef, leider;

(verb) commanderen, de baas spelen

Voorbeeld:

My boss gave me a raise.
Mijn baas gaf me een loonsverhoging.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland