Vocabulaireverzameling Top 476 - 500 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 476 - 500 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) map, dossier, bestand;
(verb) archiveren, ordenen, indienen
Voorbeeld:
(verb) praten, spreken, lezing geven;
(noun) gesprek, praatje, lezing
Voorbeeld:
(noun) pad, weg, koers;
(verb) een pad banen, een weg creëren
Voorbeeld:
(noun) groei, toename, ontwikkeling
Voorbeeld:
(noun) stress, spanning, klemtoon;
(verb) benadrukken, beklemtonen, stressen
Voorbeeld:
(noun) wapen, middel
Voorbeeld:
(noun) goud, goudkleur;
(adjective) gouden, goudkleurig, goud
Voorbeeld:
(noun) geluid, lawaai;
(verb) lawaai maken, geluid maken
Voorbeeld:
(noun) behandeling, omgang, therapie
Voorbeeld:
(noun) handel, ruilhandel, vak;
(verb) handelen, ruilen, uitwisselen
Voorbeeld:
(noun) kanker, Kreeft, sterrenbeeld Kreeft
Voorbeeld:
(noun) oceaan, enorme hoeveelheid
Voorbeeld:
(noun) fruit, vrucht, resultaat;
(verb) vruchten dragen, fruit produceren
Voorbeeld:
(noun) vaccin, inenting;
(verb) vaccineren, inenten
Voorbeeld:
(noun) oor, aar, kolf
Voorbeeld:
(noun) perspectief, standpunt, dieptewerking
Voorbeeld:
(noun) partner, vennoot, levensgezel;
(verb) partneren, samenwerken
Voorbeeld:
(noun) kop, kopje, hoeveelheid van een kop;
(verb) hol maken, omvatten
Voorbeeld:
(noun) geloof, overtuiging, principe
Voorbeeld:
(verb) breken, stukmaken, onderbreken;
(noun) pauze, onderbreking, uitbraak
Voorbeeld:
(noun) missie, opdracht, doel;
(verb) opdracht geven, uitzenden
Voorbeeld:
(noun) onderwerp, thema, vak;
(verb) onderwerpen, blootstellen;
(adjective) onderhevig aan, afhankelijk van
Voorbeeld:
(noun) techniek, methode
Voorbeeld:
(noun) cliënt, klant, client
Voorbeeld:
(noun) baas, chef, leider;
(verb) commanderen, de baas spelen
Voorbeeld: