Avatar of Vocabulary Set Top 151 - 175 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 151 - 175 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 151 - 175 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

chance

/tʃæns/

(noun) kans, mogelijkheid, gelegenheid;

(verb) toevallig gebeuren, gebeuren bij toeval, riskeren

Voorbeeld:

There's a good chance of rain tomorrow.
Er is een goede kans op regen morgen.

test

/test/

(noun) test, proef, toets;

(verb) testen, uitproberen, op de proef stellen

Voorbeeld:

The new software underwent rigorous tests before its release.
De nieuwe software onderging strenge tests voor de release.

market

/ˈmɑːr.kɪt/

(noun) markt;

(verb) op de markt brengen, vermarkten

Voorbeeld:

I bought fresh vegetables at the local market.
Ik kocht verse groenten op de lokale markt.

effect

/əˈfekt/

(noun) effect, gevolg, indruk;

(verb) teweegbrengen, uitvoeren

Voorbeeld:

The new policy had a positive effect on the economy.
Het nieuwe beleid had een positief effect op de economie.

picture

/ˈpɪk.tʃɚ/

(noun) foto, schilderij, afbeelding;

(verb) afbeelden, fotograferen, schilderen

Voorbeeld:

She hung a beautiful picture on the wall.
Ze hing een mooie foto aan de muur.

program

/ˈproʊ.ɡræm/

(noun) programma, schema, uitzending;

(verb) programmeren, instellen, plannen

Voorbeeld:

I wrote a simple program to calculate my expenses.
Ik schreef een eenvoudig programma om mijn uitgaven te berekenen.

morning

/ˈmɔːr.nɪŋ/

(noun) ochtend, morgen;

(exclamation) goedemorgen

Voorbeeld:

I usually wake up early in the morning.
Ik word meestal vroeg in de ochtend wakker.

noon

/nuːn/

(noun) middag, twaalf uur 's middags

Voorbeeld:

Let's meet at noon for lunch.
Laten we om twaalf uur 's middags lunchen.

afternoon

/ˌæf.tɚˈnuːn/

(noun) middag

Voorbeeld:

I'll meet you this afternoon.
Ik ontmoet je vanmiddag.

evening

/ˈiːv.nɪŋ/

(noun) avond

Voorbeeld:

We had dinner together last evening.
We hebben gisteravond samen gegeten.

night

/naɪt/

(noun) nacht;

(adjective) nachtelijk, avond-

Voorbeeld:

The stars shine brightly at night.
De sterren schijnen helder 's nachts.

event

/ɪˈvent/

(noun) evenement, gebeurtenis, voorval

Voorbeeld:

The wedding was a beautiful event.
De bruiloft was een prachtig evenement.

news

/nuːz/

(noun) nieuws, journaal

Voorbeeld:

I heard the news on the radio this morning.
Ik hoorde het nieuws vanmorgen op de radio.

husband

/ˈhʌz.bənd/

(noun) echtgenoot, man;

(verb) beheren, sparen, zuinig omgaan met

Voorbeeld:

Her husband is a doctor.
Haar man is een dokter.

wife

/waɪf/

(noun) vrouw, echtgenote

Voorbeeld:

My wife and I are going on vacation next month.
Mijn vrouw en ik gaan volgende maand op vakantie.

son

/sʌn/

(noun) zoon, afstammeling

Voorbeeld:

Their son is studying abroad.
Hun zoon studeert in het buitenland.

daughter

/ˈdɑː.t̬ɚ/

(noun) dochter

Voorbeeld:

Our daughter is starting college next year.
Onze dochter begint volgend jaar met haar studie.

education

/ˌedʒ.əˈkeɪ.ʃən/

(noun) onderwijs, opleiding, leerervaring

Voorbeeld:

She received her education at a prestigious university.
Ze ontving haar opleiding aan een prestigieuze universiteit.

back

/bæk/

(noun) rug, achterkant;

(adverb) terug, achteruit, vroeger;

(adjective) achterste;

(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

He lay on his back, looking up at the stars.
Hij lag op zijn rug, naar de sterren kijkend.

class

/klæs/

(noun) klas, les, cursus;

(verb) indelen, classificeren;

(adjective) stijlvol, chic

Voorbeeld:

The teacher greeted the class.
De leraar begroette de klas.

conversation

/ˌkɑːn.vɚˈseɪ.ʃən/

(noun) gesprek, conversatie

Voorbeeld:

We had a long conversation about our plans for the future.
We hadden een lang gesprek over onze plannen voor de toekomst.

court

/kɔːrt/

(noun) rechtbank, gerechtshof, baan;

(verb) versieren, winnen

Voorbeeld:

The suspect was brought before the court.
De verdachte werd voor de rechtbank gebracht.

half

/hæf/

(noun) helft;

(determiner) half;

(adverb) half, gedeeltelijk

Voorbeeld:

She ate half of the apple.
Ze at de helft van de appel.

position

/pəˈzɪʃ.ən/

(noun) positie, plaats, ligging;

(verb) positioneren, plaatsen, opstellen

Voorbeeld:

The car is in a good position for parking.
De auto staat op een goede positie om te parkeren.

rate

/reɪt/

(noun) tarief, snelheid, percentage;

(verb) beoordelen, schatten, inschatten

Voorbeeld:

The unemployment rate has decreased this quarter.
De werkloosheidsgraad is dit kwartaal gedaald.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland