Vocabulaireverzameling Top 26 - 50 Adjectives in 500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 26 - 50 Adjectives' in '500 Meest Voorkomende Engelse Bijvoeglijke Naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) hard, stevig, moeilijk;
(adverb) hard, intens, moeilijk
Voorbeeld:
(adjective) gemakkelijk, eenvoudig, ontspannen;
(adverb) gemakkelijk, eenvoudig;
(exclamation) rustig, voorzichtig
Voorbeeld:
(adjective) groot, omvangrijk, breed;
(adverb) grootschalig, op grote schaal
Voorbeeld:
(adjective) gesloten, dicht, afgesloten;
(past participle) gesloten, afgesloten
Voorbeeld:
(adjective) waar, echt, trouw;
(adverb) nauwkeurig, precies
Voorbeeld:
(adjective) vrij, onafhankelijk, gratis;
(verb) bevrijden, vrijlaten;
(adverb) gratis, kosteloos
Voorbeeld:
(adjective) koel, cool, gaaf;
(verb) koelen, afkoelen;
(noun) koelte
Voorbeeld:
(adjective) laag, weinig, neerslachtig;
(adverb) laag;
(noun) laagtepunt, minimum;
(verb) loeien
Voorbeeld:
(adjective) interessant, boeiend
Voorbeeld:
(adjective) vol, volledig, totaal;
(adverb) vol, precies
Voorbeeld:
(adjective) klaar, gereed, bereid;
(verb) klaarmaken, gereedmaken
Voorbeeld:
(adverb) alleen, slechts, nog maar;
(adjective) enige, alleen;
(conjunction) alleen, maar
Voorbeeld:
(adjective) jong, beginnend;
(noun) de jeugd, jongeren
Voorbeeld:
(adjective) zeker, vaststaand, bepaald
Voorbeeld:
(adjective) mogelijk, haalbaar, potentieel
Voorbeeld:
(adjective) zwart, donkerhuidig, boos;
(noun) zwart, zwarte, persoon van Afrikaanse afkomst;
(verb) zwart maken, verzwarten
Voorbeeld:
(adjective) enkel, enig, alleenstaand;
(noun) enkel, eenpersoons;
(verb) een honkslag slaan
Voorbeeld:
(adjective) blij, gelukkig, voorspoedig
Voorbeeld:
(adjective) sterk, krachtig, stevig
Voorbeeld:
(adjective) fout, verkeerd, onjuist;
(adverb) verkeerd, fout;
(noun) fout, onrecht;
(verb) onrecht aandoen, benadelen
Voorbeeld:
(adjective) enorm, gigantisch, belangrijk
Voorbeeld:
(adjective) geweldig, verbazingwekkend
Voorbeeld:
(adjective) eenvoudig, simpel, sober;
(noun) eenvoudig, nederig
Voorbeeld:
(determiner) genoeg, voldoende;
(adverb) genoeg, voldoende;
(pronoun) genoeg, voldoende
Voorbeeld:
(adjective) bitter, verbitterd, moeilijk
Voorbeeld: