Vocabulaireverzameling C1 - Geld kost te veel! in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Geld kost te veel!' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) vrije markt
Voorbeeld:
(noun) beurs, effectenbeurs
Voorbeeld:
(adjective) failliet, bankroet;
(verb) failliet maken, ruïneren;
(noun) failliet
Voorbeeld:
(adjective) blut, failliet;
(past tense) brak, verbrak
Voorbeeld:
(noun) paal, staak, inzet;
(verb) afbakenen, vastzetten, inzetten
Voorbeeld:
(noun) markteconomie
Voorbeeld:
(plural noun) inkomsten, verdiensten, winst
Voorbeeld:
(noun) stimulans, prikkel, aansporing
Voorbeeld:
(noun) schat, voorraad, hamsterpot;
(verb) hamsteren, verzamelen, oppotten
Voorbeeld:
(adjective) extravagant, verkwistend, uitbundig
Voorbeeld:
(verb) fluctueren, schommelen, variëren
Voorbeeld:
(verb) bevriezen, invriezen, stilstaan;
(noun) vorst, vriespunt, stop
Voorbeeld:
(phrasal verb) stabiliseren, uitvlakken
Voorbeeld:
(noun) fondsenwerving, geldinzameling
Voorbeeld:
(noun) depressie, economische crisis, verzakking
Voorbeeld:
(noun) evenwicht, balans, fysiek evenwicht
Voorbeeld:
(noun) monopolie, Monopoly, bordspel Monopoly
Voorbeeld:
(noun) fusie, samenvoeging
Voorbeeld:
(noun) donor, schenker
Voorbeeld:
(noun) index, register, maatstaf;
(verb) indexeren, registeren, aanpassen
Voorbeeld:
(noun) portfolio, map, beleggingsportefeuille
Voorbeeld:
(abbreviation) Near Field Communication, NFC
Voorbeeld:
(noun) dollar, bok, mannetje;
(verb) weerstaan, bokken
Voorbeeld:
(noun) nikkel, nickel, vijf cent;
(verb) vernikkelen
Voorbeeld:
(noun) dime, tien-cent muntstuk
Voorbeeld:
(noun) piek, hoogtepunt, top;
(verb) pieken, een hoogtepunt bereiken;
(adjective) piek, hoogtepunt
Voorbeeld:
(adjective) waardeloos, nutteloos, slecht
Voorbeeld:
(adjective) duur, kostbaar, nadelig
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(adjective) vooruitbetaald, prepaid
Voorbeeld:
(adjective) onbetaalbaar, van onschatbare waarde, hilarisch
Voorbeeld:
(verb) privatiseren
Voorbeeld:
(noun) citaat, aangehaalde tekst, offerte
Voorbeeld:
(noun) subsidie, toelage
Voorbeeld:
(noun) tarief, douanerecht, prijslijst;
(verb) tariferen, belasten met douanerechten
Voorbeeld:
(noun) accountancy, boekhouding
Voorbeeld:
(noun) rug, achterkant;
(adverb) terug, achteruit, vroeger;
(adjective) achterste;
(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen
Voorbeeld:
(verb) consolideren, versterken, samenvoegen
Voorbeeld:
(noun) storting, deposito, aanbetaling;
(verb) deponeren, neerleggen, afzetten
Voorbeeld: