Avatar of Vocabulary Set C1 - Geld kost te veel!

Vocabulaireverzameling C1 - Geld kost te veel! in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'C1 - Geld kost te veel!' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

free market

/ˌfriː ˈmɑːr.kɪt/

(noun) vrije markt

Voorbeeld:

The government is moving towards a more free market economy.
De overheid beweegt zich naar een meer vrije markt economie.

stock exchange

/ˈstɑːk ɪksˌtʃeɪndʒ/

(noun) beurs, effectenbeurs

Voorbeeld:

The stock exchange closed early due to the holiday.
De beurs sloot vroeg vanwege de feestdag.

bankrupt

/ˈbæŋ.krʌpt/

(adjective) failliet, bankroet;

(verb) failliet maken, ruïneren;

(noun) failliet

Voorbeeld:

The company went bankrupt after years of financial mismanagement.
Het bedrijf ging failliet na jaren van financieel wanbeheer.

broke

/broʊk/

(adjective) blut, failliet;

(past tense) brak, verbrak

Voorbeeld:

I'm completely broke until payday.
Ik ben helemaal blut tot de betaaldag.

stake

/steɪk/

(noun) paal, staak, inzet;

(verb) afbakenen, vastzetten, inzetten

Voorbeeld:

He drove a stake into the ground to mark the property line.
Hij sloeg een paal in de grond om de eigendomsgrens te markeren.

market economy

/ˈmɑːr.kɪt ɪˈkɑː.nə.mi/

(noun) markteconomie

Voorbeeld:

Many countries are transitioning from planned economies to a market economy.
Veel landen maken de overgang van planeconomieën naar een markteconomie.

earnings

/ˈɝː.nɪŋz/

(plural noun) inkomsten, verdiensten, winst

Voorbeeld:

His annual earnings are quite substantial.
Zijn jaarlijkse inkomsten zijn behoorlijk aanzienlijk.

incentive

/ɪnˈsen.t̬ɪv/

(noun) stimulans, prikkel, aansporing

Voorbeeld:

The bonus served as a strong incentive for employees to work harder.
De bonus diende als een sterke stimulans voor werknemers om harder te werken.

hoard

/hɔːrd/

(noun) schat, voorraad, hamsterpot;

(verb) hamsteren, verzamelen, oppotten

Voorbeeld:

He discovered a secret hoard of gold coins in the attic.
Hij ontdekte een geheime schat aan gouden munten op zolder.

extravagant

/ɪkˈstræv.ə.ɡənt/

(adjective) extravagant, verkwistend, uitbundig

Voorbeeld:

The couple lived an extravagant lifestyle, spending lavishly on luxury goods.
Het stel leidde een extravagante levensstijl en gaf rijkelijk uit aan luxegoederen.

fluctuate

/ˈflʌk.tʃu.eɪt/

(verb) fluctueren, schommelen, variëren

Voorbeeld:

The stock market prices fluctuate daily.
De beurskoersen fluctueren dagelijks.

freeze

/friːz/

(verb) bevriezen, invriezen, stilstaan;

(noun) vorst, vriespunt, stop

Voorbeeld:

The water pipes might freeze if the temperature drops too low.
De waterleidingen kunnen bevriezen als de temperatuur te laag wordt.

level out

/ˈlev.əl aʊt/

(phrasal verb) stabiliseren, uitvlakken

Voorbeeld:

After a rapid increase, the company's profits began to level out.
Na een snelle stijging begonnen de winsten van het bedrijf te stabiliseren.

fundraising

/ˈfʌndˌreɪ.zɪŋ/

(noun) fondsenwerving, geldinzameling

Voorbeeld:

The charity organized a successful fundraising event.
De liefdadigheidsinstelling organiseerde een succesvol fondsenwervingsevenement.

depression

/dɪˈpreʃ.ən/

(noun) depressie, economische crisis, verzakking

Voorbeeld:

She has been suffering from severe depression for years.
Ze lijdt al jaren aan ernstige depressie.

equilibrium

/ˌiː.kwəˈlɪb.ri.əm/

(noun) evenwicht, balans, fysiek evenwicht

Voorbeeld:

The market reached a state of equilibrium between supply and demand.
De markt bereikte een staat van evenwicht tussen vraag en aanbod.

monopoly

/məˈnɑː.pəl.i/

(noun) monopolie, Monopoly, bordspel Monopoly

Voorbeeld:

The company has a virtual monopoly on the market.
Het bedrijf heeft een virtueel monopolie op de markt.

merger

/ˈmɝː.dʒɚ/

(noun) fusie, samenvoeging

Voorbeeld:

The two companies announced a merger to create a global powerhouse.
De twee bedrijven kondigden een fusie aan om een wereldwijde grootmacht te creëren.

donor

/ˈdoʊ.nɚ/

(noun) donor, schenker

Voorbeeld:

The hospital relies heavily on the generosity of private donors.
Het ziekenhuis is sterk afhankelijk van de vrijgevigheid van particuliere donoren.

index

/ˈɪn.deks/

(noun) index, register, maatstaf;

(verb) indexeren, registeren, aanpassen

Voorbeeld:

Look up the topic in the index at the back of the book.
Zoek het onderwerp op in de index achterin het boek.

portfolio

/ˌpɔːrtˈfoʊ.li.oʊ/

(noun) portfolio, map, beleggingsportefeuille

Voorbeeld:

She carried her artwork in a large portfolio.
Ze droeg haar kunstwerken in een grote portfolio.

nfc

/ˌen.efˈsiː/

(abbreviation) Near Field Communication, NFC

Voorbeeld:

Many modern smartphones support NFC for contactless payments.
Veel moderne smartphones ondersteunen NFC voor contactloze betalingen.

buck

/bʌk/

(noun) dollar, bok, mannetje;

(verb) weerstaan, bokken

Voorbeeld:

Can you lend me twenty bucks?
Kun je me twintig dollar lenen?

nickel

/ˈnɪk.əl/

(noun) nikkel, nickel, vijf cent;

(verb) vernikkelen

Voorbeeld:

Stainless steel contains nickel.
Roestvrij staal bevat nikkel.

dime

/daɪm/

(noun) dime, tien-cent muntstuk

Voorbeeld:

He found a shiny dime on the sidewalk.
Hij vond een glimmende dime op de stoep.

peak

/piːk/

(noun) piek, hoogtepunt, top;

(verb) pieken, een hoogtepunt bereiken;

(adjective) piek, hoogtepunt

Voorbeeld:

The athlete reached the peak of his career at the age of 28.
De atleet bereikte de piek van zijn carrière op 28-jarige leeftijd.

worthless

/ˈwɝːθ.ləs/

(adjective) waardeloos, nutteloos, slecht

Voorbeeld:

The old car was completely worthless.
De oude auto was volkomen waardeloos.

costly

/ˈkɑːst.li/

(adjective) duur, kostbaar, nadelig

Voorbeeld:

The new car was very costly.
De nieuwe auto was erg duur.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.

prepaid

/ˌpriːˈpeɪd/

(adjective) vooruitbetaald, prepaid

Voorbeeld:

I bought a prepaid phone card for my trip.
Ik kocht een vooruitbetaalde telefoonkaart voor mijn reis.

priceless

/ˈpraɪs.ləs/

(adjective) onbetaalbaar, van onschatbare waarde, hilarisch

Voorbeeld:

The ancient artifact was truly priceless.
Het oude artefact was werkelijk onbetaalbaar.

privatize

/ˈpraɪ.və.taɪz/

(verb) privatiseren

Voorbeeld:

The government plans to privatize the national airline.
De overheid is van plan de nationale luchtvaartmaatschappij te privatiseren.

quotation

/kwoʊˈteɪ.ʃən/

(noun) citaat, aangehaalde tekst, offerte

Voorbeeld:

He included a famous quotation from Shakespeare in his essay.
Hij nam een beroemde citaat van Shakespeare op in zijn essay.

subsidy

/ˈsʌb.sə.di/

(noun) subsidie, toelage

Voorbeeld:

The government provides subsidies to farmers.
De overheid verstrekt subsidies aan boeren.

tariff

/ˈter.ɪf/

(noun) tarief, douanerecht, prijslijst;

(verb) tariferen, belasten met douanerechten

Voorbeeld:

The government imposed a new tariff on imported cars.
De regering legde een nieuw tarief op geïmporteerde auto's.

accountancy

/əˈkaʊn.t̬ən.si/

(noun) accountancy, boekhouding

Voorbeeld:

She decided to pursue a career in accountancy.
Ze besloot een carrière in de accountancy na te streven.

back

/bæk/

(noun) rug, achterkant;

(adverb) terug, achteruit, vroeger;

(adjective) achterste;

(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

He lay on his back, looking up at the stars.
Hij lag op zijn rug, naar de sterren kijkend.

consolidate

/kənˈsɑː.lə.deɪt/

(verb) consolideren, versterken, samenvoegen

Voorbeeld:

The company decided to consolidate its operations into one main office.
Het bedrijf besloot zijn activiteiten te consolideren in één hoofdkantoor.

deposit

/dɪˈpɑː.zɪt/

(noun) storting, deposito, aanbetaling;

(verb) deponeren, neerleggen, afzetten

Voorbeeld:

I made a large deposit into my savings account.
Ik heb een grote storting gedaan op mijn spaarrekening.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland