Vocabulaireverzameling C1 - Tot in de puntjes gekleed! in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'C1 - Tot in de puntjes gekleed!' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) kaal, bloot, minimaal;
(verb) ontbloten, blootleggen
Voorbeeld:
(noun) kraal, parel, druppel;
(verb) parelen, druppelen
Voorbeeld:
(noun) gesp;
(verb) gespen, vastmaken, knikken
Voorbeeld:
(noun) slab, slabbetje, borstlap;
(verb) drinken, alcohol drinken
Voorbeeld:
(noun) strik, lus, boog;
(verb) buigen, neigen, krommen
Voorbeeld:
(noun) parel, schat;
(verb) parelen, druppelen
Voorbeeld:
(adjective) kort, bondig, beknopt;
(noun) briefing, instructie, slip;
(verb) briefen, informeren
Voorbeeld:
(verb) gecontroleerd, nagekeken;
(adjective) geruit, geblokt
Voorbeeld:
(adjective) geblokt, geruit, wisselvallig
Voorbeeld:
(adjective) uitgebreid, gedetailleerd, ingewikkeld;
(verb) uitwerken, uitbreiden, verfijnen
Voorbeeld:
(adjective) passend, ingebouwd;
(verb) passen, passen bij
Voorbeeld:
(adjective) laag uitgesneden, diep decolleté
Voorbeeld:
(adjective) open hals, kraagloos
Voorbeeld:
(adjective) strak, huidstrak
Voorbeeld:
(adjective) mouwloos
Voorbeeld:
(adjective) op maat gemaakt, aangepast;
(verb) aanpassen, op maat maken
Voorbeeld:
(noun) kledingstuk, gewaad
Voorbeeld:
(plural noun) bokser, Boxer (hondenras), boxershort
Voorbeeld:
(noun) nachthemd, nachtjapon
Voorbeeld:
(noun) cape, mantel, kaap
Voorbeeld:
(noun) mantel, cape, dekmantel;
(verb) verhullen, bedekken
Voorbeeld:
(noun) sjaal, omslagdoek
Voorbeeld:
(noun) wetsuit, duikpak
Voorbeeld:
(noun) manchet, opslag, klap;
(verb) slaan, boeien
Voorbeeld:
(noun) sluiting, bevestigingsmiddel, verbindingselement
Voorbeeld:
(noun) band, riem;
(verb) vastmaken, gespen
Voorbeeld:
(verb) snijden, knippen, hakken;
(noun) snede, knippen, coupe;
(adjective) gesneden, geknipt
Voorbeeld:
(noun) glamour, aantrekkingskracht, uitstraling;
(verb) glamouriseren, aantrekkelijker maken
Voorbeeld:
(noun) schoeisel, voetbekleding
Voorbeeld:
(verb) strippen, ontdoen van, uitkleden;
(noun) reep, strook, strip
Voorbeeld:
(noun) schoenveter
Voorbeeld:
(noun) fluweel;
(adjective) fluwelen, zacht
Voorbeeld:
(noun) taille, middel, taillelijn
Voorbeeld:
(noun) pruik;
(verb) gek maken, opwinden
Voorbeeld:
(adjective) ongepast, onfatsoenlijk, ongeschikt
Voorbeeld:
(noun) kleding, kledij, gewaad;
(verb) kleden, uitdossen
Voorbeeld:
(plural noun) hiel, hak
Voorbeeld:
(noun) grond, aarde;
(verb) bevuilen, vervuilen
Voorbeeld: