Vocabulaireverzameling B2 - Het is een rijke man's wereld! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Het is een rijke man's wereld!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) krediet, credit, tegoed;
(verb) crediteren, bijschrijven, toeschrijven
Voorbeeld:
(noun) economie, zuinigheid, besparing
Voorbeeld:
(adjective) economisch, zuinig, voordelig
Voorbeeld:
(noun) boekhouding
Voorbeeld:
(noun) aanwinst, troef, activa
Voorbeeld:
(noun) begroting, budget, beschikbaar bedrag;
(verb) begroten, budgetteren;
(adjective) budget, goedkoop
Voorbeeld:
(noun) hoofdstad, kapitaal, vermogen;
(adjective) kapitaal, doodstraf, uitstekend
Voorbeeld:
(noun) debet, afschrijving;
(verb) debiteren, afschrijven
Voorbeeld:
(noun) financiering, financiën, geldzaken;
(verb) financieren, bekostigen
Voorbeeld:
(noun) investering, belegging, waardevolle aankoop
Voorbeeld:
(noun) financiering;
(verb) financieren
Voorbeeld:
(noun) lenen, uitlenen, leenwoord
Voorbeeld:
(noun) schuld, schuldenlast
Voorbeeld:
(verb) verlenen, toestaan, toestemmen;
(noun) subsidie, toelage
Voorbeeld:
(noun) lening, krediet;
(verb) lenen, uitlenen
Voorbeeld:
(verb) bezitten, hebben, beschikken over
Voorbeeld:
(noun) distributie, verdeling, spreiding
Voorbeeld:
(noun) inflatie, opblazing, zwelling
Voorbeeld:
(noun) welzijn, welvaart, uitkering
Voorbeeld:
(noun) winst, profijt, voordeel;
(verb) profiteren, winst maken, baten
Voorbeeld:
(noun) levensstandaard
Voorbeeld:
(noun) geldautomaat, pinautomaat;
(abbreviation) Asynchronous Transfer Mode, ATM
Voorbeeld:
(noun) evenwicht, balans, saldo;
(verb) balanceren, in evenwicht houden, afwegen
Voorbeeld:
(noun) bankafschrift
Voorbeeld:
(verb) instorten, ineenstorten, bezinken;
(noun) instorting, ineenstorting, val
Voorbeeld:
(verb) verminderen, afnemen;
(noun) afname, daling
Voorbeeld:
(noun) verlies, tekort
Voorbeeld:
(noun) analist
Voorbeeld:
(noun) bankier
Voorbeeld:
(noun) prijs, kosten, gevolg;
(verb) prijzen, waarderen, een prijs bepalen
Voorbeeld:
(noun) aankoop, koop, grip;
(verb) kopen, aanschaffen
Voorbeeld:
(noun) tarief, snelheid, percentage;
(verb) beoordelen, schatten, inschatten
Voorbeeld:
(phrasal verb) afzetten, oplichten, stelen;
(noun) afzetterij, oplichting
Voorbeeld: