Vocabulaireverzameling B2 - Lang leve de Koning! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B2 - Lang leve de Koning!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) grens, rand, boord;
(verb) begrenzen, omzomen
Voorbeeld:
(noun) eer, respect, integriteit;
(verb) eren, respecteren
Voorbeeld:
(noun) aristocratie, adel, adelregering
Voorbeeld:
(noun) dynastie, vorstenhuis, machtsfamilie
Voorbeeld:
(noun) rijk, imperium, concern
Voorbeeld:
(noun) Renaissance, heropleving, wedergeboorte
Voorbeeld:
(noun) de Middeleeuwen
Voorbeeld:
(noun) kasteel, burcht, landhuis;
(verb) versterken, verbouwen tot kasteel
Voorbeeld:
(noun) fort, vesting, bolwerk
Voorbeeld:
(noun) harnas, pantser, beschermlaag;
(verb) bepantseren, beschermen
Voorbeeld:
(noun) wapenschild, blazoen
Voorbeeld:
(noun) kroon, Kroon, monarchie;
(verb) kronen, bekronen, toppen
Voorbeeld:
(noun) pijl, richtingaanwijzer
Voorbeeld:
(noun) zwaard
Voorbeeld:
(noun) embleem, symbool
Voorbeeld:
(adjective) koninklijk, magnifiek, groots;
(noun) koninklijke, lid van de koninklijke familie
Voorbeeld:
(noun) royalty, koningshuis, auteursrecht
Voorbeeld:
(adjective) adellijk, nobel, edel;
(noun) edelman, edelvrouw
Voorbeeld:
(noun) noblesse, edelheid, voornaamheid
Voorbeeld:
(verb) tellen, meetellen, inclusief zijn;
(noun) telling, aantal, aanklacht
Voorbeeld:
(noun) gravin
Voorbeeld:
(noun) hertog;
(verb) slaan, vechten
Voorbeeld:
(noun) hertogin, regerende hertogin
Voorbeeld:
(noun) koning, meester;
(verb) promoveren, tot koning maken
Voorbeeld:
(noun) koningin, dame (schaakstuk), poes;
(verb) tot koningin maken, kronen
Voorbeeld:
(noun) koninkrijk, rijk, domein
Voorbeeld:
(noun) ridder, paard;
(verb) tot ridder slaan
Voorbeeld:
(noun) dame, vrouw, mevrouw
Voorbeeld:
(noun) heer, meester, Heer;
(verb) tot heer verheffen, heerschappij geven;
(exclamation) Heer, God
Voorbeeld:
(noun) majesteit, grootsheid, pracht
Voorbeeld:
(noun) monarch, vorst, soeverein
Voorbeeld:
(noun) prins, vorst
Voorbeeld:
(noun) prinses, verwende meid
Voorbeeld:
(noun) slavernij, slavernijsysteem
Voorbeeld: