Avatar of Vocabulary Set B2 - Lang leve de Koning!

Vocabulaireverzameling B2 - Lang leve de Koning! in Niveau B2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B2 - Lang leve de Koning!' in 'Niveau B2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

border

/ˈbɔːr.dɚ/

(noun) grens, rand, boord;

(verb) begrenzen, omzomen

Voorbeeld:

The river forms a natural border between the two nations.
De rivier vormt een natuurlijke grens tussen de twee naties.

honor

/ˈɑː.nɚ/

(noun) eer, respect, integriteit;

(verb) eren, respecteren

Voorbeeld:

He served his country with honor.
Hij diende zijn land met eer.

aristocracy

/ˌer.əˈstɑː.krə.si/

(noun) aristocratie, adel, adelregering

Voorbeeld:

The old aristocracy still held significant power in the region.
De oude aristocratie had nog steeds aanzienlijke macht in de regio.

dynasty

/ˈdaɪ.nə.sti/

(noun) dynastie, vorstenhuis, machtsfamilie

Voorbeeld:

The Ming dynasty ruled China for nearly 300 years.
De Ming-dynastie regeerde China bijna 300 jaar.

empire

/ˈem.paɪr/

(noun) rijk, imperium, concern

Voorbeeld:

The Roman Empire lasted for centuries.
Het Romeinse Rijk duurde eeuwenlang.

renaissance

/ˈren.ə.sɑːns/

(noun) Renaissance, heropleving, wedergeboorte

Voorbeeld:

The Italian Renaissance was a period of great cultural change and achievement.
De Italiaanse Renaissance was een periode van grote culturele verandering en prestatie.

the Middle Ages

/ðə ˌmɪd.əl ˈeɪ.dʒɪz/

(noun) de Middeleeuwen

Voorbeeld:

Life was very different during the Middle Ages.
Het leven was heel anders tijdens de Middeleeuwen.

castle

/ˈkæs.əl/

(noun) kasteel, burcht, landhuis;

(verb) versterken, verbouwen tot kasteel

Voorbeeld:

The ancient castle stood majestically on the hill.
Het oude kasteel stond majestueus op de heuvel.

fortress

/ˈfɔːr.trəs/

(noun) fort, vesting, bolwerk

Voorbeeld:

The ancient fortress stood proudly on the hill, guarding the city below.
Het oude fort stond trots op de heuvel en bewaakte de stad beneden.

armor

/ˈɑːr.mɚ/

(noun) harnas, pantser, beschermlaag;

(verb) bepantseren, beschermen

Voorbeeld:

The knight wore a full suit of armor into battle.
De ridder droeg een volledig harnas in de strijd.

coat of arms

/ˌkoʊt əv ˈɑːrmz/

(noun) wapenschild, blazoen

Voorbeeld:

The knight's shield bore a magnificent coat of arms.
Het schild van de ridder droeg een prachtig wapenschild.

crown

/kraʊn/

(noun) kroon, Kroon, monarchie;

(verb) kronen, bekronen, toppen

Voorbeeld:

The queen wore a magnificent crown during the ceremony.
De koningin droeg een prachtige kroon tijdens de ceremonie.

arrow

/ˈer.oʊ/

(noun) pijl, richtingaanwijzer

Voorbeeld:

The hunter aimed his arrow at the target.
De jager richtte zijn pijl op het doel.

sword

/sɔːrd/

(noun) zwaard

Voorbeeld:

The knight drew his sword from its scabbard.
De ridder trok zijn zwaard uit de schede.

emblem

/ˈem.bləm/

(noun) embleem, symbool

Voorbeeld:

The dove is an emblem of peace.
De duif is een embleem van vrede.

royal

/ˈrɔɪ.əl/

(adjective) koninklijk, magnifiek, groots;

(noun) koninklijke, lid van de koninklijke familie

Voorbeeld:

The royal family attended the ceremony.
De koninklijke familie woonde de ceremonie bij.

royalty

/ˈrɔɪ.əl.t̬i/

(noun) royalty, koningshuis, auteursrecht

Voorbeeld:

The queen and other royalty attended the state dinner.
De koningin en andere royalty woonden het staatsdiner bij.

noble

/ˈnoʊ.bəl/

(adjective) adellijk, nobel, edel;

(noun) edelman, edelvrouw

Voorbeeld:

He was born into a noble family.
Hij werd geboren in een adellijke familie.

nobility

/noʊˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) noblesse, edelheid, voornaamheid

Voorbeeld:

His actions showed great nobility of spirit.
Zijn daden toonden grote noblesse van geest.

count

/kaʊnt/

(verb) tellen, meetellen, inclusief zijn;

(noun) telling, aantal, aanklacht

Voorbeeld:

Can you count how many apples are in the basket?
Kun je tellen hoeveel appels er in de mand liggen?

countess

/ˈkaʊn.t̬əs/

(noun) gravin

Voorbeeld:

The Countess wore a magnificent gown to the ball.
De gravin droeg een prachtige japon naar het bal.

duke

/duːk/

(noun) hertog;

(verb) slaan, vechten

Voorbeeld:

The Duke of Burgundy was a powerful figure in medieval Europe.
De hertog van Bourgondië was een machtige figuur in middeleeuws Europa.

duchess

/ˈdʌtʃ.es/

(noun) hertogin, regerende hertogin

Voorbeeld:

The Duchess of Cambridge attended the charity event.
De hertogin van Cambridge woonde het liefdadigheidsevenement bij.

king

/kɪŋ/

(noun) koning, meester;

(verb) promoveren, tot koning maken

Voorbeeld:

The king addressed his subjects from the balcony.
De koning sprak zijn onderdanen toe vanaf het balkon.

queen

/kwiːn/

(noun) koningin, dame (schaakstuk), poes;

(verb) tot koningin maken, kronen

Voorbeeld:

The Queen delivered her annual Christmas message.
De koningin hield haar jaarlijkse kersttoespraak.

kingdom

/ˈkɪŋ.dəm/

(noun) koninkrijk, rijk, domein

Voorbeeld:

The ancient kingdom was known for its vast riches.
Het oude koninkrijk stond bekend om zijn enorme rijkdommen.

knight

/naɪt/

(noun) ridder, paard;

(verb) tot ridder slaan

Voorbeeld:

Sir Paul McCartney was made a knight for his contributions to music.
Sir Paul McCartney werd tot ridder geslagen voor zijn bijdragen aan de muziek.

lady

/ˈleɪ.di/

(noun) dame, vrouw, mevrouw

Voorbeeld:

The young lady offered her seat to the elderly man.
De jonge dame bood haar zitplaats aan de oudere man aan.

lord

/lɔːrd/

(noun) heer, meester, Heer;

(verb) tot heer verheffen, heerschappij geven;

(exclamation) Heer, God

Voorbeeld:

The feudal lord controlled vast lands and many serfs.
De feodale heer beheerste uitgestrekte landen en vele lijfeigenen.

majesty

/ˈmædʒ.ə.sti/

(noun) majesteit, grootsheid, pracht

Voorbeeld:

The majesty of the mountains was breathtaking.
De majesteit van de bergen was adembenemend.

monarch

/ˈmɑː.nɚk/

(noun) monarch, vorst, soeverein

Voorbeeld:

The monarch delivered a speech to the nation.
De monarch hield een toespraak tot de natie.

prince

/prɪns/

(noun) prins, vorst

Voorbeeld:

The prince married a commoner.
De prins trouwde met een burgermeisje.

princess

/prɪnˈses/

(noun) prinses, verwende meid

Voorbeeld:

The young princess was known for her kindness.
De jonge prinses stond bekend om haar vriendelijkheid.

slavery

/ˈsleɪ.vər.i/

(noun) slavernij, slavernijsysteem

Voorbeeld:

The abolition of slavery was a major milestone in human rights.
De afschaffing van slavernij was een belangrijke mijlpaal in de mensenrechten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland