Vocabulaireverzameling B1 - Weer in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Weer' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) zonsopgang, dageraad
Voorbeeld:
(noun) zonsondergang, schemering, ondergang
Voorbeeld:
(noun) zonneschijn, zonlicht, vreugde
Voorbeeld:
(noun) schaduw, tint, nuance;
(verb) schaduwen, afschermen, nuanceren
Voorbeeld:
(noun) donder;
(verb) donderen, bulderen
Voorbeeld:
(noun) bliksem;
(adjective) bliksemsnel, razendsnel
Voorbeeld:
(noun) regenval, neerslag
Voorbeeld:
(noun) sneeuwval
Voorbeeld:
(noun) douche, douchebeurt, bui;
(verb) douchen, neerregenen, overladen
Voorbeeld:
(noun) regenstorm, wolkbreuk
Voorbeeld:
(noun) sneeuwstorm
Voorbeeld:
(noun) regenwater
Voorbeeld:
(noun) regendruppel
Voorbeeld:
(noun) sneeuwvlok, sneeuwvlokje, overgevoelig persoon
Voorbeeld:
(verb) stromen, gieten, schenken;
(noun) stroom, regenval
Voorbeeld:
(noun) overstroming, vloed, stroom;
(verb) overstromen, onder water zetten, overspoelen
Voorbeeld:
(adjective) vochtig, klam
Voorbeeld:
(adjective) vochtig, klam;
(verb) bevochtigen, nat maken, dempen;
(noun) vocht, klamheid
Voorbeeld:
(adjective) bevroren, verstijfd, stilgezet;
(past participle) bevroren
Voorbeeld:
(noun) hittegolf
Voorbeeld:
(adjective) fijn, uitstekend, goed;
(noun) boete, geldstraf;
(verb) beboeten, een boete opleggen;
(adverb) prima, goed
Voorbeeld:
(adjective) kalm, rustig, windstil;
(verb) kalmeren, tot rust brengen;
(noun) kalmte, rust
Voorbeeld:
(noun) hagelstorm
Voorbeeld:
(adjective) ijzig, glad, ijskoud
Voorbeeld:
(noun) voorspelling, prognose;
(verb) voorspellen, prognostiseren
Voorbeeld:
(verb) zetten, leggen, plaatsen;
(noun) set, reeks, stand;
(adjective) vastgesteld, vast
Voorbeeld:
(verb) rijzen, stijgen, opgaan;
(noun) stijging, opkomst, verhoging
Voorbeeld:
(verb) bevriezen, invriezen, stilstaan;
(noun) vorst, vriespunt, stop
Voorbeeld:
(verb) smelten, verzachten, wegsmelten;
(noun) dooi, smelt
Voorbeeld:
(verb) schijnen, glanzen, stralen;
(noun) glans, schittering
Voorbeeld:
(noun) zure regen
Voorbeeld:
(noun) zandstorm
Voorbeeld:
(noun) windstorm, storm
Voorbeeld: