Avatar of Vocabulary Set B1 - Gevoelens en emoties

Vocabulaireverzameling B1 - Gevoelens en emoties in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Gevoelens en emoties' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

feeling

/ˈfiː.lɪŋ/

(noun) gevoel, emotie, tastzin

Voorbeeld:

She had a strange feeling that something was wrong.
Ze had een vreemd gevoel dat er iets mis was.

amazed

/əˈmeɪzd/

(adjective) verbaasd, verbluft

Voorbeeld:

She was amazed by the beauty of the Grand Canyon.
Ze was verbaasd door de schoonheid van de Grand Canyon.

anger

/ˈæŋ.ɡɚ/

(noun) woede, boosheid;

(verb) boos maken, ergeren

Voorbeeld:

His face was red with anger.
Zijn gezicht was rood van woede.

annoy

/əˈnɔɪ/

(verb) irriteren, ergeren, storen

Voorbeeld:

His constant complaining really annoys me.
Zijn constante geklaag irriteert me echt.

anxious

/ˈæŋk.ʃəs/

(adjective) angstig, nerveus, enthousiast

Voorbeeld:

She was anxious about her exam results.
Ze was nerveus over haar examenresultaten.

anxiety

/æŋˈzaɪ.ə.t̬i/

(noun) angst, bezorgdheid, onrust

Voorbeeld:

He felt a surge of anxiety as he waited for the test results.
Hij voelde een golf van angst toen hij wachtte op de testresultaten.

approval

/əˈpruː.vəl/

(noun) goedkeuring, instemming, toestemming

Voorbeeld:

The project received official approval from the committee.
Het project kreeg officiële goedkeuring van de commissie.

ashamed

/əˈʃeɪmd/

(adjective) beschaamd, schaamtevol

Voorbeeld:

She felt deeply ashamed of her behavior at the party.
Ze schaamde zich diep voor haar gedrag op het feest.

astonish

/əˈstɑː.nɪʃ/

(verb) verbazen, verbluffen

Voorbeeld:

Her beauty never ceases to astonish me.
Haar schoonheid blijft me altijd verbazen.

attraction

/əˈtræk.ʃən/

(noun) aantrekkingskracht, attractie, aantrekkingspunt

Voorbeeld:

The new exhibit is a major attraction for tourists.
De nieuwe tentoonstelling is een belangrijke attractie voor toeristen.

boredom

/ˈbɔːr.dəm/

(noun) verveling, saaiheid

Voorbeeld:

She suffered from extreme boredom during the long lecture.
Ze leed aan extreme verveling tijdens de lange lezing.

cheerful

/ˈtʃɪr.fəl/

(adjective) opgewekt, vrolijk, blij

Voorbeeld:

She always has a cheerful disposition, even on Mondays.
Ze heeft altijd een opgewekte instelling, zelfs op maandag.

depressed

/dɪˈprest/

(adjective) depressief, neerslachtig, gedeprimeerd

Voorbeeld:

She felt deeply depressed after losing her job.
Ze voelde zich diep depressief na het verliezen van haar baan.

desire

/dɪˈzaɪr/

(noun) verlangen, wens, begeerte;

(verb) verlangen, wensen, begeerte hebben

Voorbeeld:

He expressed a strong desire to travel the world.
Hij uitte een sterk verlangen om de wereld rond te reizen.

disappoint

/ˌdɪs.əˈpɔɪnt/

(verb) teleurstellen

Voorbeeld:

I'm sorry to disappoint you, but I can't make it.
Het spijt me je te moeten teleurstellen, maar ik kan er niet bij zijn.

eager

/ˈiː.ɡɚ/

(adjective) enthousiast, ijverig, gretig

Voorbeeld:

She was eager to start her new job.
Ze was enthousiast om aan haar nieuwe baan te beginnen.

embarrassed

/ɪmˈber.əst/

(adjective) beschaamd, verlegen

Voorbeeld:

She felt deeply embarrassed by her mistake.
Ze voelde zich diep beschaamd door haar fout.

excitement

/ɪkˈsaɪt.mənt/

(noun) opwinding, enthousiasme, sensatie

Voorbeeld:

The children were filled with excitement as they opened their presents.
De kinderen waren vol opwinding toen ze hun cadeautjes openden.

exhausted

/ɪɡˈzɑː.stɪd/

(adjective) uitgeput, doodmoe;

(past participle) uitgeput, opgebruikt

Voorbeeld:

After running the marathon, she was completely exhausted.
Na het lopen van de marathon was ze volledig uitgeput.

fear

/fɪr/

(noun) angst, vrees, ontzag;

(verb) vrezen, bang zijn voor, bezorgd zijn om

Voorbeeld:

She felt a sudden surge of fear when she heard the strange noise.
Ze voelde een plotselinge golf van angst toen ze het vreemde geluid hoorde.

frightened

/ˈfraɪ.tənd/

(adjective) bang, geschrokken

Voorbeeld:

The child was frightened by the loud thunder.
Het kind was bang van de luide donder.

glad

/ɡlæd/

(adjective) blij, verheugd, vreugdevol;

(verb) verblijden, verheugen

Voorbeeld:

I'm so glad to see you!
Ik ben zo blij je te zien!

grateful

/ˈɡreɪt.fəl/

(adjective) dankbaar

Voorbeeld:

I am so grateful for your help.
Ik ben zo dankbaar voor je hulp.

hate

/heɪt/

(verb) haten, afschuw hebben van;

(noun) haat, afkeer

Voorbeeld:

I hate doing laundry.
Ik haat de was doen.

guilty

/ˈɡɪl.ti/

(adjective) schuldig, gewetensvol

Voorbeeld:

The jury found him guilty of theft.
De jury bevond hem schuldig aan diefstal.

interest

/ˈɪn.trɪst/

(noun) interesse, aandacht, rente;

(verb) interesseren, boeien

Voorbeeld:

She showed great interest in the new project.
Ze toonde grote interesse in het nieuwe project.

interested

/ˈɪn.trɪ.stɪd/

(adjective) geïnteresseerd, belanghebbend

Voorbeeld:

She seemed genuinely interested in my ideas.
Ze leek oprecht geïnteresseerd in mijn ideeën.

jealousy

/ˈdʒel.ə.si/

(noun) jaloezie, afgunst, bezitterigheid

Voorbeeld:

Her success sparked jealousy among her colleagues.
Haar succes wekte jaloezie op bij haar collega's.

lonely

/ˈloʊn.li/

(adjective) eenzaam, afgelegen

Voorbeeld:

She felt lonely after moving to a new city.
Ze voelde zich eenzaam na haar verhuizing naar een nieuwe stad.

mad

/mæd/

(adjective) gek, waanzinnig, boos

Voorbeeld:

The old man seemed completely mad, talking to himself in the street.
De oude man leek volkomen gek, pratend tegen zichzelf op straat.

pleasure

/ˈpleʒ.ɚ/

(noun) plezier, genoegen;

(verb) plezieren, behagen

Voorbeeld:

She takes great pleasure in her work.
Ze beleeft veel plezier aan haar werk.

please

/pliːz/

(interjection) alsjeblieft, alstublieft;

(verb) behagen, plezieren

Voorbeeld:

Can you help me, please?
Kun je me helpen, alsjeblieft?

satisfaction

/ˌsæt̬.ɪsˈfæk.ʃən/

(noun) tevredenheid, voldoening, vervulling

Voorbeeld:

Customer satisfaction is our top priority.
Klanttevredenheid is onze topprioriteit.

scare

/sker/

(verb) schrikken, bang maken;

(noun) schrik, angst

Voorbeeld:

The sudden noise scared the cat.
Het plotselinge geluid schrok de kat af.

satisfy

/ˈsæt̬.ɪs.faɪ/

(verb) bevredigen, voldoen aan, overtuigen

Voorbeeld:

The new policy aims to satisfy both employees and management.
Het nieuwe beleid is erop gericht zowel werknemers als management te bevredigen.

stressed

/strest/

(adjective) gestrest, gespannen;

(past participle) benadrukt, geaccentueerd

Voorbeeld:

She felt very stressed after the exam.
Ze voelde zich erg gestrest na het examen.

calm

/kɑːm/

(adjective) kalm, rustig, windstil;

(verb) kalmeren, tot rust brengen;

(noun) kalmte, rust

Voorbeeld:

She remained calm despite the chaos around her.
Ze bleef kalm ondanks de chaos om haar heen.

frighten

/ˈfraɪ.tən/

(verb) bang maken, schrikken

Voorbeeld:

The sudden noise frightened the baby.
Het plotselinge geluid schrok de baby af.

inspire

/ɪnˈspaɪr/

(verb) inspireren, bezielen, opwekken

Voorbeeld:

His courage inspired everyone around him.
Zijn moed inspireerde iedereen om hem heen.

horror

/ˈhɔːr.ɚ/

(noun) afschuw, schrik, walging

Voorbeeld:

She screamed in horror as the monster appeared.
Ze schreeuwde van afschuw toen het monster verscheen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland