Avatar of Vocabulary Set A2 - Familie en Vrienden

Vocabulaireverzameling A2 - Familie en Vrienden in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Familie en Vrienden' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

daddy

/ˈdæd.i/

(noun) papa, pappa

Voorbeeld:

My daddy always reads me a bedtime story.
Mijn papa leest me altijd een verhaaltje voor het slapengaan.

mommy

/ˈmɑː.mi/

(noun) mama, moedertje

Voorbeeld:

My mommy always reads me a bedtime story.
Mijn mama leest me altijd een verhaaltje voor het slapengaan.

grandpa

/ˈɡræn.pɑː/

(noun) opa

Voorbeeld:

My grandpa always tells the best stories.
Mijn opa vertelt altijd de beste verhalen.

grandma

/ˈɡræn.mɑː/

(noun) oma, grootmoeder

Voorbeeld:

My grandma bakes the best cookies.
Mijn oma bakt de beste koekjes.

granddaughter

/ˈɡræn.dɑː.t̬ɚ/

(noun) kleindochter

Voorbeeld:

My granddaughter loves to visit me every weekend.
Mijn kleindochter komt me elk weekend graag bezoeken.

grandson

/ˈɡræn.sʌn/

(noun) kleinzoon

Voorbeeld:

My grandson is coming to visit next week.
Mijn kleinzoon komt volgende week op bezoek.

group

/ɡruːp/

(noun) groep, verzameling, band;

(verb) groeperen, indelen

Voorbeeld:

A group of students gathered outside the library.
Een groep studenten verzamelde zich buiten de bibliotheek.

guest

/ɡest/

(noun) gast, hotelgast;

(verb) gastoptreden, te gast zijn

Voorbeeld:

We had several guests over for dinner last night.
We hadden gisteravond verschillende gasten voor het avondeten.

dude

/duːd/

(noun) gast, kerel, jongen;

(verb) opdoffen, aankleden;

(exclamation) gast, jongen

Voorbeeld:

Hey, dude, what's up?
Hé, gast, hoe gaat het?

guy

/ɡaɪ/

(noun) kerel, gast, jongens;

(verb) bespotten, voor de gek houden

Voorbeeld:

He's a really nice guy.
Hij is echt een aardige kerel.

miss

/mɪs/

(verb) missen, vermissen, verlangen naar;

(noun) mevrouw, juffrouw

Voorbeeld:

He swung the bat and missed the ball.
Hij zwaaide met de knuppel en miste de bal.

neighbor

/ˈneɪ.bɚ/

(noun) buur, buurman, buurvrouw;

(verb) grenzen aan, naast liggen

Voorbeeld:

Our neighbor brought us a pie.
Onze buurman bracht ons een taart.

pen pal

/ˈpen pæl/

(noun) penvriend, penvriendin

Voorbeeld:

I've had a pen pal in Japan for five years.
Ik heb al vijf jaar een penvriend in Japan.

surname

/ˈsɝː.neɪm/

(noun) achternaam, familienaam

Voorbeeld:

Her surname is Smith.
Haar achternaam is Smith.

family name

/ˈfæm.əl.i ˌneɪm/

(noun) achternaam, familienaam

Voorbeeld:

What is your family name?
Wat is uw achternaam?

background

/ˈbæk.ɡraʊnd/

(noun) achtergrond, context, herkomst

Voorbeeld:

The mountains in the background added to the beauty of the landscape.
De bergen op de achtergrond droegen bij aan de schoonheid van het landschap.

couple

/ˈkʌp.əl/

(noun) paar, stel, enkele;

(verb) koppelen, verbinden

Voorbeeld:

A young couple walked hand in hand.
Een jong stel liep hand in hand.

partner

/ˈpɑːrt.nɚ/

(noun) partner, vennoot, levensgezel;

(verb) partneren, samenwerken

Voorbeeld:

She became a junior partner in the law firm.
Ze werd een junior partner in het advocatenkantoor.

twin

/twɪn/

(noun) tweeling, tegenhanger, evenbeeld;

(verb) koppelen, verbroederen, een tweeling vormen;

(adjective) tweeling-, dubbel

Voorbeeld:

My sister gave birth to healthy twins.
Mijn zus beviel van gezonde tweelingen.

kid

/kɪd/

(noun) kind, jongere, geitje;

(verb) grappen, plagen

Voorbeeld:

The kid was playing in the park.
Het kind speelde in het park.

member

/ˈmem.bɚ/

(noun) lid, lichaamsdeel

Voorbeeld:

She is a new member of our team.
Zij is een nieuw lid van ons team.

date

/deɪt/

(noun) datum, afspraakje, date;

(verb) dateren, daten, uitgaan met

Voorbeeld:

What's the date today?
Wat is de datum vandaag?

care

/ker/

(noun) zorg, verzorging, zorgvuldigheid;

(verb) zich bekommeren om, geven om, zorgen voor

Voorbeeld:

She provides excellent care for her elderly parents.
Zij biedt uitstekende zorg voor haar bejaarde ouders.

marry

/ˈmer.i/

(verb) trouwen, huwen, uithuwelijken

Voorbeeld:

They decided to marry after a long courtship.
Ze besloten te trouwen na een lange verkering.

break up

/breɪk ʌp/

(phrasal verb) uit elkaar gaan, een relatie beëindigen, uiteenvallen

Voorbeeld:

They decided to break up after five years together.
Ze besloten om uit elkaar te gaan na vijf jaar samen.

grow

/ɡroʊ/

(verb) groeien, toenemen, verbouwen

Voorbeeld:

The company's profits continue to grow.
De winst van het bedrijf blijft groeien.

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

middle name

/ˈmɪd.əl ˌneɪm/

(noun) tweede naam

Voorbeeld:

Her full name is Mary Elizabeth Smith, where Elizabeth is her middle name.
Haar volledige naam is Mary Elizabeth Smith, waarbij Elizabeth haar tweede naam is.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland