Vocabulaireverzameling A2 - Oefening en Sport 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Oefening en Sport 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) beweging, oefening, opdracht;
(verb) sporten, oefenen, uitoefenen
Voorbeeld:
(noun) wandeling, trektocht, stijging;
(verb) wandelen, trekken, verhogen
Voorbeeld:
(verb) zwemmen, duizelen, draaien;
(noun) zwempartij, zwem
Voorbeeld:
(noun) race, wedstrijd, ras;
(verb) racen, wedijveren, snel bewegen
Voorbeeld:
(noun) punt, uiteinde, plaats;
(verb) wijzen, aanduiden, richten
Voorbeeld:
(noun) score, puntentotaal, twintigtal;
(verb) scoren, punten maken, inkerven
Voorbeeld:
(noun) medaille;
(verb) onderscheiden, een medaille toekennen
Voorbeeld:
(noun) winnaar, succes, voltreffer
Voorbeeld:
(verb) winnen, verkrijgen;
(noun) overwinning, winst
Voorbeeld:
(noun) loser, verliezer, mislukkeling
Voorbeeld:
(verb) verliezen, kwijtraken
Voorbeeld:
(noun) ski;
(verb) skiën
Voorbeeld:
(noun) skiën
Voorbeeld:
(noun) schaats, rolschaats, rog;
(verb) schaatsen, rolschaatsen
Voorbeeld:
(noun) schaatsen, skaten;
(verb) schaatsend, skatend
Voorbeeld:
(noun) schaats, ijsschaats;
(verb) schaatsen
Voorbeeld:
(noun) schaatsen, ijsschaatsen
Voorbeeld:
(noun) snowboard;
(verb) snowboarden
Voorbeeld:
(noun) snowboarden
Voorbeeld:
(noun) skateboard, skateplank;
(verb) skateboarden
Voorbeeld:
(noun) skateboarden
Voorbeeld:
(noun) surfplank
Voorbeeld:
(noun) surfen, golfsurfen, zappen;
(verb) surfend, zappend
Voorbeeld:
(noun) registratie, inschrijving, registratiebewijs
Voorbeeld:
(noun) lidmaatschap, ledenbestand, aantal leden
Voorbeeld:
(noun) praktijk, toepassing, gewoonte;
(verb) oefenen, trainen, uitoefenen
Voorbeeld:
(noun) team, ploeg, span;
(verb) samenwerken, een team vormen
Voorbeeld:
(noun) ventilator, waaier, fan;
(verb) waaieren, aanwakkeren, verspreiden
Voorbeeld:
(noun) plaat, grammofoonplaat, record;
(verb) opnemen, vastleggen, registreren
Voorbeeld:
(noun) net, het internet, het net;
(verb) vangen, netten, netto verdienen;
(adjective) netto
Voorbeeld:
(noun) prijs, beloning, aanwinst;
(verb) waarderen, koesteren
Voorbeeld: