Vocabulaireverzameling A1 - Huishoudelijke artikelen in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Huishoudelijke artikelen' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) schaal, schotel, bord;
(verb) onthullen, verspreiden, opscheppen
Voorbeeld:
(noun) lepel;
(verb) scheppen, lepelen, lepeltje-lepeltje liggen
Voorbeeld:
(noun) vork, splitsing, vertakking;
(verb) splitsen, vertakken, vorken
Voorbeeld:
(noun) mes;
(verb) neersteken, snijden met een mes
Voorbeeld:
(noun) bord, plaat;
(verb) plateren, bekleden
Voorbeeld:
(noun) kom, schaal, bowlen;
(verb) bowlen, gooien
Voorbeeld:
(noun) glas;
(verb) inglasen, inmaken
Voorbeeld:
(noun) fles;
(verb) in flessen doen, bottelen, opgeven
Voorbeeld:
(noun) kop, kopje, hoeveelheid van een kop;
(verb) hol maken, omvatten
Voorbeeld:
(noun) pot, pan, fonds;
(verb) potten, inpotten, in de pocket stoten
Voorbeeld:
(noun) pan, koekenpan, bak;
(verb) afkraken, bekritiseren, pannen
Voorbeeld:
(noun) ketel, waterkoker
Voorbeeld:
(noun) handdoek;
(verb) afdrogen, drogen met een handdoek
Voorbeeld:
(noun) toiletpapier
Voorbeeld:
(noun) zeep, soap, telenovelle;
(verb) inzepen, wassen met zeep
Voorbeeld:
(noun) borstel, aanraking, schamp;
(verb) borstelen, vegen, aanraken
Voorbeeld:
(noun) tandenborstel
Voorbeeld:
(noun) kam;
(verb) kammen, doorzoeken, uitkammen
Voorbeeld:
(noun) haarborstel
Voorbeeld:
(noun) kussen;
(verb) neerleggen, ondersteunen
Voorbeeld:
(noun) deken, sprei, laag;
(adjective) algemeen, uitgebreid;
(verb) bedekken, omhullen
Voorbeeld:
(noun) prullenbak, vuilnisbak
Voorbeeld:
(noun) doos, kist, vak;
(verb) inpakken, verpakken, boksen
Voorbeeld:
(noun) ladder, hiërarchie;
(verb) op de ladder gaan, rafelen, ladders veroorzaken
Voorbeeld:
(noun) spullen, dingen, materiaal;
(verb) proppen, vullen, opvullen
Voorbeeld:
(noun) speelgoed, speeltje, amusementsobject;
(verb) spelen met, overwegen
Voorbeeld:
(noun) ding, voorwerp, zaak
Voorbeeld: