Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 20 - Geld besparen: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 20 - Geld besparen' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) audit, controle;
(verb) auditen, controleren
Voorbeeld:
(noun) boekhouding
Voorbeeld:
(noun) begroting, budget, beschikbaar bedrag;
(verb) begroten, budgetteren;
(adjective) budget, goedkoop
Voorbeeld:
(adjective) financieel
Voorbeeld:
(verb) beperken, inkorten, verminderen
Voorbeeld:
(noun) tekort, deficiëntie, beperking
Voorbeeld:
(adverb) onlangs, recentelijk
Voorbeeld:
(adverb) aanzienlijk
Voorbeeld:
(noun) commissie, bestuur
Voorbeeld:
(noun) mogelijkheid, capaciteit
Voorbeeld:
(plural noun) opbrengst, opbrengsten
Voorbeeld:
(verb) vergoeden, terugbetalen
Voorbeeld:
(adverb) aanzienlijk, flink, erg
Voorbeeld:
(adjective) voldoende, adequaat, geschikt
Voorbeeld:
(noun) totaal, som;
(adjective) totaal, geheel, volledig;
(verb) bedragen, optellen tot
Voorbeeld:
(verb) toewijzen, toedelen
Voorbeeld:
(noun) inspecteur, controleur, inspecteur van politie
Voorbeeld:
(adjective) voorkeurs, geprefereerd;
(past participle) geprefereerd
Voorbeeld:
(noun) kwart, vierde deel, kwartje;
(verb) kwartieren, huisvesten
Voorbeeld:
(verb) onderbreken, verstoren
Voorbeeld:
(verb) snuffelen, rondkijken, surfen;
(noun) rondsnuffeling, kijkje
Voorbeeld:
(adjective) snel, prompt, onmiddellijk;
(noun) aanzet, aanwijzing, prompt;
(verb) aanzetten, aanmoedigen, uitlokken
Voorbeeld:
(verb) aftrekken, in mindering brengen
Voorbeeld:
(noun) meting, maat, afmeting
Voorbeeld:
(verb) verkorten, inkorten
Voorbeeld:
(verb) wijzigen, verbeteren, corrigeren
Voorbeeld:
(verb) berekenen, uitrekenen, inschatten
Voorbeeld:
(adjective) vrijgesteld, uitgezonderd;
(verb) vrijstellen, uitzonderen
Voorbeeld:
(adjective) deficiënt, gebrekkig, onvoldoende
Voorbeeld:
(verb) vergelijken, vergelijken met, opwegen tegen
Voorbeeld:
(adjective) gelukkig, fortuinlijk, gunstig
Voorbeeld:
(noun) uitgave, uitgaven, verbruik
Voorbeeld:
(adverb) nauwkeurig, precies
Voorbeeld:
(noun) waarde, verdienste, prijs;
(adjective) waard
Voorbeeld:
(noun) overschot, overmaat, teveel;
(adjective) overtollig, extra
Voorbeeld:
(adjective) fiscaal, belasting-, financieel
Voorbeeld:
(adjective) incidenteel, bijkomstig, toevallig
Voorbeeld:
(noun) inflatie, opblazing, zwelling
Voorbeeld:
(adjective) aansprakelijk, verantwoordelijk, geneigd
Voorbeeld:
(verb) uitgeven, besteden, doorbrengen;
(noun) uitgave, besteding
Voorbeeld:
(noun) omzet, personeelsverloop, verloop
Voorbeeld: