Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 13 - De klant is koning: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 13 - De klant is koning' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) klacht, bezwaar, reden tot klagen
Voorbeeld:
(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;
(verb) delen, uitdelen, omgaan met
Voorbeeld:
(adjective) argumentatief, twistziek
Voorbeeld:
(adverb) gepast, passend, geschikt
Voorbeeld:
(verb) reageren, antwoorden, respons geven
Voorbeeld:
(verb) razend maken, woedend maken
Voorbeeld:
(adjective) beleefd, hoffelijk
Voorbeeld:
(noun) tevredenheid, voldoening, vervulling
Voorbeeld:
(noun) ongemak, hinder;
(verb) ongemak veroorzaken, hinderen
Voorbeeld:
(adjective) compleet, volledig, totaal;
(verb) voltooien, afmaken
Voorbeeld:
(adjective) specifiek, bepaald, specifiek voor
Voorbeeld:
(verb) terugkeren, teruggaan, terugbrengen;
(noun) terugkeer, terugzending, rendement
Voorbeeld:
(verb) vervangen, in de plaats komen van, terugplaatsen
Voorbeeld:
(noun) presentatie, voordracht, weergave
Voorbeeld:
(noun) evaluatie, beoordeling
Voorbeeld:
(adjective) zelfverzekerd, zeker, overtuigd
Voorbeeld:
(noun) oorzaak, reden, zaak;
(verb) veroorzaken, teweegbrengen
Voorbeeld:
(noun) commentaar, toelichting
Voorbeeld:
(noun) melding, kennisgeving, bericht
Voorbeeld:
(verb) verontschuldigen, excuses aanbieden
Voorbeeld:
(verb) interageren, op elkaar inwerken
Voorbeeld:
(adjective) zeker, vaststaand, bepaald
Voorbeeld:
(noun) toewijding, betrokkenheid, verplichting
Voorbeeld:
(verb) applaudisseren, toejuichen
Voorbeeld:
(noun) biografie, levensbeschrijving
Voorbeeld:
(adjective) kritisch, cruciaal, essentieel
Voorbeeld:
(phrasal verb) afhangen van, rekenen op
Voorbeeld:
(verb) combineren, verenigen, samenvoegen;
(noun) maaidorser, combine
Voorbeeld:
(noun) prioriteit, voorrang
Voorbeeld:
(verb) observeren, waarnemen, opmerken
Voorbeeld:
(adjective) defect, gebrekkig, foutief
Voorbeeld:
(verb) weerspiegelen, terugkaatsen, nadenken
Voorbeeld:
(noun) houding, instelling, pose
Voorbeeld:
(verb) teleurstellen
Voorbeeld:
(verb) informeren, vragen, navragen
Voorbeeld:
(verb) invoegen, insteken, toevoegen;
(noun) inlage, bijlage
Voorbeeld:
(verb) onthullen, bekendmaken, openbaren
Voorbeeld:
(noun) garantie, waarborg, zekerheid;
(verb) garanderen, waarborgen, zekerstellen
Voorbeeld:
(adverb) beleefd, hoffelijk
Voorbeeld:
(adverb) serieus, ernstig, aanzienlijk;
(interjection) serieus, echt
Voorbeeld: