Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 12 - Automatisering in de fabriek: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 12 - Automatisering in de fabriek' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) apparatuur, uitrusting
Voorbeeld:
(verb) automatiseren
Voorbeeld:
(noun) specificatie, omschrijving, precisering
Voorbeeld:
(adverb) correct, behoorlijk, netjes
Voorbeeld:
(noun) veiligheid, beveiliging
Voorbeeld:
(noun) voorzorgsmaatregel, voorzorg
Voorbeeld:
(verb) bedienen, exploiteren, werken
Voorbeeld:
(noun) verwerking, bewerking
Voorbeeld:
(noun) capaciteit, inhoud, vermogen
Voorbeeld:
(verb) verzamelen, bijeenkomen, monteren
Voorbeeld:
(verb) gebruiken, benutten, aanwenden
Voorbeeld:
(noun) plaats, plek, huis;
(verb) plaatsen, leggen, herkennen
Voorbeeld:
(verb) vullen, opvullen, invullen;
(noun) vulling, hoeveelheid
Voorbeeld:
(noun) productie, fabricage, fabricageproces
Voorbeeld:
(verb) renoveren, opknappen
Voorbeeld:
(noun) beslissing
Voorbeeld:
(noun) materiaal, stof, informatie;
(adjective) materieel, stoffelijk
Voorbeeld:
(noun) succes, welslagen, succesnummer
Voorbeeld:
(noun) eigenschap, kenmerk;
(verb) toeschrijven aan, wijten aan
Voorbeeld:
(noun) efficiëntie, doelmatigheid
Voorbeeld:
(noun) limiet, grens, maximum;
(verb) beperken, begrenzen
Voorbeeld:
(adjective) op maat gemaakt, aangepast;
(verb) aanpassen, op maat maken
Voorbeeld:
(noun) onderdeel, component, element;
(adjective) component, onderdeel
Voorbeeld:
(adjective) capabel, bekwaam, in staat
Voorbeeld:
(verb) bezuinigen, sparen
Voorbeeld:
(adjective) flexibel, buigzaam, aanpasbaar
Voorbeeld:
(adjective) vergelijkbaar, gelijkwaardig
Voorbeeld:
(verb) produceren, vervaardigen, opleveren;
(noun) producten, landbouwproducten
Voorbeeld:
(adverb) respectievelijk
Voorbeeld:
(noun) apparaat, toestel, plan
Voorbeeld:
(verb) knippen, snoeien, trimmen;
(noun) bies, sierrand, versiering;
(adjective) netjes, verzorgd, strak
Voorbeeld:
(verb) lanceren, starten, afschieten;
(noun) lancering, start
Voorbeeld:
(adverb) apart, afzonderlijk
Voorbeeld:
(noun) vervaldatum, afloop, uitademing
Voorbeeld:
(noun) manoeuvre, beweging, strategie;
(verb) manoeuvreren, behendig bewegen, manipuleren
Voorbeeld:
(adjective) komend, naderend;
(noun) komst, nadering
Voorbeeld:
(adjective) beschadigd, gehavend
Voorbeeld:
(verb) voorkomen, verhinderen, beletten
Voorbeeld:
(noun) kracht, vermogen, macht;
(verb) aandrijven, van stroom voorzien
Voorbeeld:
(noun) chemische stof, chemisch product;
(adjective) chemisch
Voorbeeld: