Vocabulaireverzameling Basis 1 in Dag 5 - Geheime wapens: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Basis 1' in 'Dag 5 - Geheime wapens' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) verfijnd, gesofisticeerd, geavanceerd
Voorbeeld:
(adjective) tijdig, opportuun;
(adverb) tijdig, opportuun
Voorbeeld:
(adverb) realistisch, realistisch gezien
Voorbeeld:
(adverb) onmiddellijk, stipt, prompt
Voorbeeld:
(adjective) toegankelijk, bereikbaar, begrijpelijk
Voorbeeld:
(noun) werktuig, gereedschap;
(verb) implementeren, uitvoeren
Voorbeeld:
(noun) feedback, terugkoppeling
Voorbeeld:
(adjective) uitstekend, uitmuntend, voortreffelijk
Voorbeeld:
(verb) informeren, op de hoogte stellen, vormgeven
Voorbeeld:
(noun) vervanging, vernieuwing, vervanger
Voorbeeld:
(noun) aankondiging, bekendmaking
Voorbeeld:
(noun) afdeling, departement, warenhuis
Voorbeeld:
(adverb) permanent, voorgoed
Voorbeeld:
(verb) vervullen, realiseren, nakomen
Voorbeeld:
(noun) schets, overzicht, hoofdlijnen;
(verb) schetsen, omlijnen, aftekenen
Voorbeeld:
(verb) uitleggen, verklaren, rechtvaardigen
Voorbeeld:
(verb) bevatten, inhouden, bedwingen
Voorbeeld:
(verb) compileren, verzamelen, opstellen
Voorbeeld:
(adjective) daaropvolgend, volgend
Voorbeeld:
(noun) overzicht, samenvatting
Voorbeeld:
(noun) aanbieder, leverancier, kostwinner
Voorbeeld:
(noun) materie, stof, zaak;
(verb) er toe doen, belangrijk zijn
Voorbeeld:
(noun) expertise, deskundigheid, vakkennis
Voorbeeld:
(verb) aantonen, bewijzen, demonstreren
Voorbeeld:
(noun) rest, overblijfsel, residu
Voorbeeld:
(adjective) essentieel, noodzakelijk, wezenlijk;
(noun) essentiële zaken, benodigdheden
Voorbeeld:
(verb) verdelen, scheiden, delen;
(noun) scheiding, grens
Voorbeeld:
(adjective) belangrijk, groot, ernstig;
(noun) majoor, hoofdvak, studierichting;
(verb) specialiseren in, hoofdvak hebben in
Voorbeeld:
(noun) naleving, overeenstemming, inschikkelijkheid
Voorbeeld:
(verb) verduidelijken, ophelderen, klaren
Voorbeeld:
(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;
(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen
Voorbeeld:
(verb) volgen, opvolgen, naleven;
(noun) aanhang, volgers
Voorbeeld:
(noun) aspect, facet, uiterlijk
Voorbeeld:
(adverb) blijkbaar, kennelijk, ogenschijnlijk
Voorbeeld:
(adjective) bewust, op de hoogte
Voorbeeld:
(adjective) verlengd, uitgebreid, breed
Voorbeeld:
(adverb) per ongeluk, toevallig
Voorbeeld:
(adjective) raadzaam, aan te raden, verstandig
Voorbeeld:
(adjective) bezorgd, bekommerd, betrokken
Voorbeeld:
(verb) spreken, praten, een lezing geven
Voorbeeld: