Avatar of Vocabulary Set Taal en grammatica

Vocabulaireverzameling Taal en grammatica in Essentiële woordenschat voor TOEFL: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Taal en grammatica' in 'Essentiële woordenschat voor TOEFL' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

abbreviation

/əˌbriː.viˈeɪ.ʃən/

(noun) afkorting

Voorbeeld:

''Dr.'' is the abbreviation for ''Doctor''.
''Dr.'' is de afkorting voor ''Doctor''.

contraction

/kənˈtræk.ʃən/

(noun) samentrekking, krimp, verkorting

Voorbeeld:

The contraction of the muscles caused the arm to bend.
De samentrekking van de spieren zorgde ervoor dat de arm boog.

dialect

/ˈdaɪ.ə.lekt/

(noun) dialect, streektaal

Voorbeeld:

The local dialect is quite different from the standard language.
Het lokale dialect is heel anders dan de standaardtaal.

accent

/ˈæk.sənt/

(noun) accent, klemtoon, accentteken;

(verb) accentueren, benadrukken

Voorbeeld:

She spoke with a strong French accent.
Ze sprak met een sterk Frans accent.

apostrophe

/əˈpɑː.strə.fi/

(noun) apostrof, apostrofe, directe aanspreking

Voorbeeld:

The boy's hat was lost, so he used an apostrophe to show possession.
De hoed van de jongen was verloren, dus gebruikte hij een apostrof om bezit aan te geven.

article

/ˈɑːr.t̬ɪ.kəl/

(noun) artikel, voorwerp, stuk;

(article) lidwoord

Voorbeeld:

She wrote an interesting article about climate change.
Ze schreef een interessant artikel over klimaatverandering.

agreement

/əˈɡriː.mənt/

(noun) overeenkomst, akkoord, instemming

Voorbeeld:

We reached an agreement on the terms of the contract.
We bereikten een overeenkomst over de voorwaarden van het contract.

number

/ˈnʌm.bɚ/

(noun) getal, nummer, aantal;

(verb) bedragen, tellen, nummeren

Voorbeeld:

Write down your phone number.
Schrijf je telefoonnummer op.

syllable

/ˈsɪl.ə.bəl/

(noun) lettergreep

Voorbeeld:

The word 'cat' has one syllable.
Het woord 'kat' heeft één lettergreep.

vowel

/vaʊəl/

(noun) klinker

Voorbeeld:

The word 'cat' has one vowel sound.
Het woord 'kat' heeft één klinkerklank.

consonant

/ˈkɑːn.sə.nənt/

(noun) medeklinker;

(adjective) overeenstemmend, harmonieus

Voorbeeld:

The letter 'B' represents a consonant sound.
De letter 'B' staat voor een medeklinkerklank.

voice

/vɔɪs/

(noun) stem, inspraak;

(verb) uiten, uitspreken

Voorbeeld:

Her voice was clear and strong.
Haar stem was helder en krachtig.

auxiliary

/ɑːɡˈzɪl.i.er.i/

(adjective) hulp, aanvullend;

(noun) hulp, assistent;

(auxiliary verb) hulpwerkwoord

Voorbeeld:

The hospital has an auxiliary power generator.
Het ziekenhuis heeft een hulpstroomgenerator.

complement

/ˈkɑːm.plə.ment/

(noun) aanvulling, complement, volledig aantal;

(verb) aanvullen, completeren

Voorbeeld:

The wine was a perfect complement to the meal.
De wijn was een perfecte aanvulling op de maaltijd.

compound

/ˈkɑːm.paʊnd/

(noun) verbinding, mengsel, complex;

(verb) verergeren, versterken, samenstellen;

(adjective) samengesteld, complex

Voorbeeld:

Water is a chemical compound of hydrogen and oxygen.
Water is een chemische verbinding van waterstof en zuurstof.

conjunction

/kənˈdʒʌŋk.ʃən/

(noun) voegwoord, samenstand, samenloop

Voorbeeld:

The word 'and' is a common conjunction.
Het woord 'en' is een veelvoorkomend voegwoord.

prepositional

/ˌprep.əˈzɪʃ.ən.əl/

(adjective) prepositioneel

Voorbeeld:

The phrase 'on the table' is a prepositional phrase.
De uitdrukking 'op tafel' is een prepositionele uitdrukking.

determiner

/dɪˈtɝː.mə.nɚ/

(noun) bepaler

Voorbeeld:

In the sentence 'The cat sat on the mat,' 'the' is a determiner.
In de zin 'De kat zat op de mat' is 'de' een bepaler.

fluency

/ˈfluː.ən.si/

(noun) vloeiendheid, taalvaardigheid, soepelheid

Voorbeeld:

Her fluency in French impressed everyone.
Haar vloeiendheid in het Frans maakte indruk op iedereen.

gerund

/ˈdʒer.ənd/

(noun) gerundium

Voorbeeld:

The word 'swimming' is a gerund in the sentence 'Swimming is good exercise.'
Het woord 'swimming' is een gerundium in de zin 'Swimming is good exercise.'

collocation

/ˌkɑː.ləˈkeɪ.ʃən/

(noun) collocatie

Voorbeeld:

Strong coffee is a common collocation.
Sterke koffie is een veelvoorkomende collocatie.

idiom

/ˈɪd.i.əm/

(noun) idioom, zegswijze

Voorbeeld:

Learning English idioms can be challenging but rewarding.
Engelse idiomen leren kan uitdagend maar lonend zijn.

slang

/slæŋ/

(noun) slang, straattaal;

(verb) slangen, straattaal gebruiken

Voorbeeld:

The teenagers were speaking in a lot of slang I didn't understand.
De tieners spraken veel straattaal die ik niet begreep.

proverb

/ˈprɑː.vɝːb/

(noun) spreekwoord, gezegde

Voorbeeld:

The old proverb says, "Actions speak louder than words."
Het oude spreekwoord zegt: "Daden spreken luider dan woorden."

imperative

/ɪmˈper.ə.t̬ɪv/

(adjective) noodzakelijk, cruciaal, dringend;

(noun) noodzaak, gebod, gebiedende wijs

Voorbeeld:

It is imperative that we act now.
Het is noodzakelijk dat we nu handelen.

interjection

/ˌɪn.t̬ɚˈdʒek.ʃən/

(noun) uitroep, tussenwerpsel

Voorbeeld:

Ouch!” he cried, after hitting his thumb with a hammer.
Au!” riep hij, nadat hij zijn duim met een hamer had geraakt.

intonation

/ˌɪn.təˈneɪ.ʃən/

(noun) intonatie, stembuiging

Voorbeeld:

Her voice had a peculiar intonation that made her sound foreign.
Haar stem had een eigenaardige intonatie waardoor ze buitenlands klonk.

transitive

/ˈtræn.sə.t̬ɪv/

(adjective) overgankelijk

Voorbeeld:

The verb 'eat' is transitive because you can 'eat an apple'.
Het werkwoord 'eten' is overgankelijk omdat je 'een appel kunt eten'.

intransitive

/ɪnˈtræn.sə.t̬ɪv/

(adjective) intransitief

Voorbeeld:

The verb 'sleep' is intransitive.
Het werkwoord 'slapen' is intransitief.

linguistic

/lɪŋˈɡwɪs.tɪk/

(adjective) linguïstisch, taalkundig

Voorbeeld:

The study of linguistic diversity is fascinating.
De studie van linguïstische diversiteit is fascinerend.

metaphor

/ˈmet̬.ə.fɔːr/

(noun) metafoor

Voorbeeld:

The phrase 'drowning in debt' is a common metaphor.
De uitdrukking 'verdrinken in schulden' is een veelvoorkomende metafoor.

progressive

/prəˈɡres.ɪv/

(adjective) progressief, geleidelijk, vooruitstrevend;

(noun) progressief, vooruitstrevend

Voorbeeld:

The disease showed a progressive decline in health.
De ziekte vertoonde een progressieve achteruitgang van de gezondheid.

punctuation

/ˌpʌŋk.tʃuˈeɪ.ʃən/

(noun) interpunctie, leestekens

Voorbeeld:

Proper punctuation is essential for clear writing.
Correcte interpunctie is essentieel voor helder schrijven.

quote

/kwoʊt/

(verb) citeren, aanhalen, offreren;

(noun) citaat, aangehaalde tekst, offerte

Voorbeeld:

She likes to quote Shakespeare in her essays.
Ze citeert graag Shakespeare in haar essays.

double negative

/ˌdʌbl ˈneɡətɪv/

(noun) dubbele ontkenning

Voorbeeld:

The sentence "I don't know nothing" is an example of a double negative.
De zin "Ik weet niks niet" is een voorbeeld van een dubbele ontkenning.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland