Vocabulaireverzameling Oorzaak en bedoeling in SAT-woordenschat voor wiskunde en logica: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Oorzaak en bedoeling' in 'SAT-woordenschat voor wiskunde en logica' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) veroorzaken, uitlokken, versnellen;
(adjective) overhaast, ondoordacht, haastig;
(noun) precipitaat, neerslag
Voorbeeld:
(verb) katalyseren, versnellen
Voorbeeld:
(adjective) snel, prompt, onmiddellijk;
(noun) aanzet, aanwijzing, prompt;
(verb) aanzetten, aanmoedigen, uitlokken
Voorbeeld:
(verb) inroepen, aanhalen, zich beroepen op
Voorbeeld:
(verb) onderliggen, ten grondslag liggen aan
Voorbeeld:
(verb) vormen, opleveren, poseren;
(noun) pose, houding, aanstellerij
Voorbeeld:
(verb) uitoefenen, aanwenden
Voorbeeld:
(verb) uitlokken, ontlokken, loskrijgen
Voorbeeld:
(noun) stengel, stam, woordstam;
(verb) voortkomen uit, ontspringen, stoppen
Voorbeeld:
(verb) oplopen, ondergaan
Voorbeeld:
(verb) animeren, bezielen, leven inblazen;
(adjective) bezield, levend
Voorbeeld:
(noun) speerpunt, voorhoede;
(verb) aanvoeren, leiden
Voorbeeld:
(verb) noodzakelijk maken, vereisen
Voorbeeld:
(verb) aanzetten tot, aanwakkeren, uitlokken
Voorbeeld:
(noun) causaliteit, oorzakelijkheid
Voorbeeld:
(noun) aanzetting, aansporing, opruiing
Voorbeeld:
(noun) stimulus, prikkel, stimulans
Voorbeeld:
(noun) fundering, basis, grondslag
Voorbeeld:
(noun) premissie, uitgangspunt, pand;
(verb) baseren op, uitgaan van
Voorbeeld:
(noun) uitkomst, resultaat, gevolg
Voorbeeld:
(noun) plaag, verderf
Voorbeeld:
(noun) basis, gewone mensen;
(adjective) basis, van onderop
Voorbeeld:
(adjective) indicatief, aanduidend, aantonende wijs;
(noun) aantonende wijs
Voorbeeld:
(adjective) bevorderlijk, gunstig
Voorbeeld:
(adjective) onbedoeld, onopzettelijk
Voorbeeld:
(adverb) onwillekeurig, onbedoeld
Voorbeeld:
(adverb) weloverwogen, doelbewust, langzaam
Voorbeeld:
(adverb) onopzettelijk, per ongeluk, onbedoeld
Voorbeeld:
(adverb) gemakkelijk, bereidwillig, vlot
Voorbeeld:
(adverb) onbedoeld, onwetend
Voorbeeld:
(adverb) onnadenkend, gedachteloos
Voorbeeld:
(adverb) expres, opzettelijk
Voorbeeld:
(adverb) opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig
Voorbeeld:
(noun) impuls, opwelling, stimulans
Voorbeeld:
(noun) wil, vrije wil
Voorbeeld:
(noun) weerstand, verzet, resistentie
Voorbeeld:
(adjective) terughoudend, onwillig
Voorbeeld:
(adjective) doelgericht, vastberaden
Voorbeeld:
(adjective) spontaan, onvoorbereid
Voorbeeld:
(adjective) zinloos, onverstandig, dom
Voorbeeld: