Avatar of Vocabulary Set De bewegingen

Vocabulaireverzameling De bewegingen in Algemene IELTS-woordenschat (band 6-7): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'De bewegingen' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 6-7)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

jog

/dʒɑːɡ/

(verb) joggen, hardlopen, duwen;

(noun) jog, hardlooprondje, duw

Voorbeeld:

She likes to jog in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te joggen.

step

/step/

(noun) stap, trede, opstapje;

(verb) stappen, lopen

Voorbeeld:

He took a step forward.
Hij deed een stap naar voren.

rush

/rʌʃ/

(verb) haasten, spoeden, versnellen;

(noun) stroom, haast, spits;

(adjective) gehaast, overhaast

Voorbeeld:

She had to rush to catch her train.
Ze moest haasten om haar trein te halen.

sneak

/sniːk/

(verb) sluipen, stiekem doen;

(noun) gluiperd, verrader;

(adjective) stiekem, verraderlijk

Voorbeeld:

He tried to sneak out of the house without anyone noticing.
Hij probeerde het huis uit te sluipen zonder dat iemand het merkte.

creep

/kriːp/

(verb) kruipen, sluipen, ranken;

(noun) enge vent, gluiperd

Voorbeeld:

The cat crept silently towards the bird.
De kat kroop stilletjes naar de vogel toe.

tiptoe

/ˈtɪp.toʊ/

(verb) op je tenen lopen, sluipen;

(adverb) op de tenen

Voorbeeld:

She had to tiptoe past the baby's room so as not to wake him.
Ze moest op haar tenen lopen langs de babykamer om hem niet wakker te maken.

wander

/ˈwɑːn.dɚ/

(verb) dwalen, rondzwerven, kronkelen

Voorbeeld:

We spent the afternoon wandering through the old town.
We brachten de middag door met ronddwalen door de oude stad.

hike

/haɪk/

(noun) wandeling, trektocht, stijging;

(verb) wandelen, trekken, verhogen

Voorbeeld:

We went on a long hike through the mountains.
We maakten een lange wandeling door de bergen.

trek

/trek/

(noun) trektocht, lange tocht;

(verb) trekken, een lange tocht maken

Voorbeeld:

They embarked on a challenging trek through the Himalayas.
Ze begonnen aan een uitdagende trektocht door de Himalaya.

sprint

/sprɪnt/

(verb) sprinten, spurten;

(noun) sprint, spurt

Voorbeeld:

The athlete decided to sprint the last 100 meters of the race.
De atleet besloot de laatste 100 meter van de race te sprinten.

leap

/liːp/

(verb) springen, sprong maken, snel bewegen;

(noun) sprong, beweging

Voorbeeld:

The deer leaped over the fence.
Het hert sprong over het hek.

vault

/vɑːlt/

(noun) kluis, gewelf;

(verb) springen, overspringen

Voorbeeld:

The bank keeps its money in a secure vault.
De bank bewaart haar geld in een veilige kluis.

hurdle

/ˈhɝː.dəl/

(noun) horde, hindernis, probleem;

(verb) overspringen, overwinnen, doorstaan

Voorbeeld:

The athlete cleared the final hurdle with ease.
De atleet nam de laatste horde met gemak.

plunge

/plʌndʒ/

(verb) duiken, storten, dalen;

(noun) daling, duik

Voorbeeld:

She took a deep breath and plunged into the cold water.
Ze haalde diep adem en doopte zich in het koude water.

backflip

/ˈbæk.flɪp/

(noun) achterwaartse salto, backflip;

(verb) achterwaartse salto maken, backflippen

Voorbeeld:

The gymnast performed a perfect backflip.
De turner voerde een perfecte achterwaartse salto uit.

flap

/flæp/

(noun) flap, klep, opschudding;

(verb) flapperen, wapperen, klapperen

Voorbeeld:

He lifted the tent flap and peered inside.
Hij tilde de tentflap op en keek naar binnen.

flutter

/ˈflʌt̬.ɚ/

(verb) fladderen, wapperen, trillen;

(noun) fladdering, trilling

Voorbeeld:

Butterflies fluttered among the flowers.
Vlinders fladderden tussen de bloemen.

swing

/swɪŋ/

(verb) zwaaien, schommelen, klimmen;

(noun) schommel, verschuiving, omslag

Voorbeeld:

The door swung open.
De deur zwaaide open.

twirl

/twɝːl/

(verb) ronddraaien, draaien;

(noun) draai, ronddraaiing

Voorbeeld:

The dancer began to twirl gracefully across the stage.
De danser begon gracieus over het podium te ronddraaien.

dash

/dæʃ/

(noun) scheutje, snufje, streepje;

(verb) rennen, spurten, slaan

Voorbeeld:

Add a dash of salt to the soup.
Voeg een scheutje zout toe aan de soep.

scurry

/ˈskɝː.i/

(verb) trippen, haasten;

(noun) getrip, gehaast

Voorbeeld:

The mouse scurried across the floor and hid under the sofa.
De muis tripte over de vloer en verstopte zich onder de bank.

slip

/slɪp/

(verb) uitglijden, slippen, glippen;

(noun) fout, vergissing, briefje

Voorbeeld:

Be careful not to slip on the wet floor.
Pas op dat je niet uitglijdt op de natte vloer.

descend

/dɪˈsend/

(verb) dalen, afdalen, afstammen van

Voorbeeld:

The aircraft began to descend.
Het vliegtuig begon te dalen.

ascend

/əˈsend/

(verb) stijgen, opstijgen, bestijgen

Voorbeeld:

The path began to ascend steeply.
Het pad begon steil te stijgen.

roam

/roʊm/

(verb) rondzwerven, dwalen, zwerven;

(noun) zwerftocht, wandeling, rondzwerving

Voorbeeld:

The cattle were left to roam freely in the fields.
Het vee mocht vrijelijk rondzwerven in de velden.

parade

/pəˈreɪd/

(noun) parade, optocht, stroom;

(verb) paraderen, pronken

Voorbeeld:

The city held a grand parade to celebrate the national holiday.
De stad hield een grote parade om de nationale feestdag te vieren.

hurtle

/ˈhɝː.t̬əl/

(verb) razen, snellen

Voorbeeld:

The car hurtled down the hill at a dangerous speed.
De auto raasde met een gevaarlijke snelheid de heuvel af.

duck

/dʌk/

(noun) eend;

(verb) duiken, ontwijken

Voorbeeld:

The duck swam gracefully across the pond.
De eend zwom gracieus over de vijver.

tug

/tʌɡ/

(verb) trekken, rukken;

(noun) trek, ruk, sleepboot

Voorbeeld:

She tugged at his sleeve to get his attention.
Ze trok aan zijn mouw om zijn aandacht te krijgen.

stumble

/ˈstʌm.bəl/

(verb) struikelen, wankelen, haperen;

(noun) struikelpartij, wankeling

Voorbeeld:

He began to stumble as he walked through the uneven terrain.
Hij begon te struikelen toen hij door het oneffen terrein liep.

cross

/krɑːs/

(noun) kruis, kruising, hybride;

(verb) oversteken, doorkruisen, kruisen;

(adjective) boos, geïrriteerd

Voorbeeld:

Draw a cross on the map to mark the spot.
Teken een kruis op de kaart om de plek te markeren.

propel

/prəˈpel/

(verb) voortstuwen, aandrijven, drijven

Voorbeeld:

The boat was propelled by a strong current.
De boot werd voortgestuwd door een sterke stroming.

trample

/ˈtræm.pəl/

(verb) vertrappen, verpletteren, negeren;

(noun) getrappel, verplettering

Voorbeeld:

The crowd trampled the flowers in the garden.
De menigte vertrapte de bloemen in de tuin.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland