Avatar of Vocabulary Set De bewegingen

Vocabulaireverzameling De bewegingen in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'De bewegingen' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

run

/rʌn/

(verb) rennen, lopen, werken;

(noun) loop, ren, periode

Voorbeeld:

She decided to run a marathon next year.
Ze besloot volgend jaar een marathon te rennen.

walk

/wɑːk/

(verb) lopen, wandelen, uitlaten;

(noun) wandeling, loopafstand

Voorbeeld:

She likes to walk in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te wandelen.

march

/mɑːrtʃ/

(verb) marcheren, lopen, gaan;

(noun) mars, optocht, maart

Voorbeeld:

The soldiers marched in perfect formation.
De soldaten marcheerden in perfecte formatie.

jump

/dʒʌmp/

(verb) springen, hossen, schieten;

(noun) sprong, hup, stijging

Voorbeeld:

The cat jumped onto the table.
De kat sprong op tafel.

crawl

/krɑːl/

(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;

(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang

Voorbeeld:

The baby learned to crawl before walking.
De baby leerde kruipen voordat hij ging lopen.

bounce

/baʊns/

(verb) stuiteren, terugkaatsen, springen;

(noun) stuiter, terugkaatsing, opleving

Voorbeeld:

The ball bounced off the wall.
De bal stuiterde van de muur.

race

/reɪs/

(noun) race, wedstrijd, ras;

(verb) racen, wedijveren, snel bewegen

Voorbeeld:

She won the 100-meter race.
Ze won de 100-meter race.

skip

/skɪp/

(verb) hinkelen, springen, overslaan;

(noun) hink, sprong, overslag

Voorbeeld:

The children were skipping happily down the street.
De kinderen waren vrolijk de straat aan het hinkelen.

spring

/sprɪŋ/

(noun) lente, voorjaar, veer;

(verb) springen, veren, ontspringen

Voorbeeld:

Flowers bloom beautifully in spring.
Bloemen bloeien prachtig in de lente.

glide

/ɡlaɪd/

(verb) glijden, zweven;

(noun) glijvlucht, zweefvlucht

Voorbeeld:

The swan seemed to glide effortlessly across the water.
De zwaan leek moeiteloos over het water te glijden.

slide

/slaɪd/

(noun) glijbaan, slip, glijbeweging;

(verb) glijden, schuiven, sluipen

Voorbeeld:

The children loved playing on the slide at the park.
De kinderen speelden graag op de glijbaan in het park.

rotate

/ˈroʊ.teɪt/

(verb) draaien, roteren, afwisselen

Voorbeeld:

The Earth rotates on its axis.
De aarde draait om haar as.

spin

/spɪn/

(verb) draaien, rondtollen, spinnen;

(noun) draai, rondje, interpretatie

Voorbeeld:

The dancer began to spin on one foot.
De danser begon op één voet te draaien.

drag

/dræɡ/

(verb) slepen, trekken, voortslepen;

(noun) sleep, weerstand, drag

Voorbeeld:

She had to drag the heavy suitcase up the stairs.
Ze moest de zware koffer de trap op slepen.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

drive

/draɪv/

(verb) rijden, besturen, drijven;

(noun) rit, autorit, drang

Voorbeeld:

She learned to drive when she was sixteen.
Ze leerde rijden toen ze zestien was.

ride

/raɪd/

(verb) rijden, nemen;

(noun) rit, tocht, lift

Voorbeeld:

She loves to ride her horse every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend op haar paard te rijden.

push

/pʊʃ/

(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;

(noun) duw, stoot, inspanning

Voorbeeld:

She tried to push the heavy door open.
Ze probeerde de zware deur open te duwen.

shake

/ʃeɪk/

(verb) schudden, trillen, schokken;

(noun) schudden, trilling

Voorbeeld:

He began to shake the bottle to mix the contents.
Hij begon de fles te schudden om de inhoud te mengen.

roll

/roʊl/

(verb) rollen, draaien, walsen;

(noun) rol, broodje

Voorbeeld:

The ball rolled down the hill.
De bal rolde de heuvel af.

turn

/tɝːn/

(verb) draaien, wenden, afbuigen;

(noun) bocht, beurt

Voorbeeld:

The Earth turns on its axis.
De aarde draait om haar as.

dance

/dæns/

(verb) dansen, fladderen;

(noun) dans, dansfeest

Voorbeeld:

They love to dance all night long.
Ze houden ervan om de hele nacht te dansen.

throw

/θroʊ/

(verb) gooien, werpen, omverwerpen;

(noun) worp, gooi, plaid

Voorbeeld:

He decided to throw the ball to his dog.
Hij besloot de bal naar zijn hond te gooien.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

sway

/sweɪ/

(verb) zwaaien, deinen, beïnvloeden;

(noun) schommeling, deining, macht

Voorbeeld:

The trees were swaying in the wind.
De bomen zwaaiden in de wind.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland