Vocabulaireverzameling De bewegingen in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'De bewegingen' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) rennen, lopen, werken;
(noun) loop, ren, periode
Voorbeeld:
(verb) lopen, wandelen, uitlaten;
(noun) wandeling, loopafstand
Voorbeeld:
(verb) marcheren, lopen, gaan;
(noun) mars, optocht, maart
Voorbeeld:
(verb) springen, hossen, schieten;
(noun) sprong, hup, stijging
Voorbeeld:
(verb) kruipen, langzaam voortbewegen;
(noun) kruipsnelheid, langzame voortgang
Voorbeeld:
(verb) stuiteren, terugkaatsen, springen;
(noun) stuiter, terugkaatsing, opleving
Voorbeeld:
(noun) race, wedstrijd, ras;
(verb) racen, wedijveren, snel bewegen
Voorbeeld:
(verb) hinkelen, springen, overslaan;
(noun) hink, sprong, overslag
Voorbeeld:
(noun) lente, voorjaar, veer;
(verb) springen, veren, ontspringen
Voorbeeld:
(verb) glijden, zweven;
(noun) glijvlucht, zweefvlucht
Voorbeeld:
(noun) glijbaan, slip, glijbeweging;
(verb) glijden, schuiven, sluipen
Voorbeeld:
(verb) draaien, roteren, afwisselen
Voorbeeld:
(verb) draaien, rondtollen, spinnen;
(noun) draai, rondje, interpretatie
Voorbeeld:
(verb) slepen, trekken, voortslepen;
(noun) sleep, weerstand, drag
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld:
(verb) rijden, nemen;
(noun) rit, tocht, lift
Voorbeeld:
(verb) duwen, stoten, zich een weg banen;
(noun) duw, stoot, inspanning
Voorbeeld:
(verb) schudden, trillen, schokken;
(noun) schudden, trilling
Voorbeeld:
(verb) rollen, draaien, walsen;
(noun) rol, broodje
Voorbeeld:
(verb) draaien, wenden, afbuigen;
(noun) bocht, beurt
Voorbeeld:
(verb) dansen, fladderen;
(noun) dans, dansfeest
Voorbeeld:
(verb) gooien, werpen, omverwerpen;
(noun) worp, gooi, plaid
Voorbeeld:
(verb) vangen, grijpen, betrappen;
(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras
Voorbeeld:
(verb) zwaaien, deinen, beïnvloeden;
(noun) schommeling, deining, macht
Voorbeeld: