Vocabulaireverzameling Unit 2: Stadsleven in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 2: Stadsleven' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) betaalbaar, voordelig
Voorbeeld:
(noun) aanwinst, troef, activa
Voorbeeld:
(adjective) catastrofaal, rampzalig
Voorbeeld:
(noun) stadstaat
Voorbeeld:
(noun) gedrag, verloop, beheer;
(verb) uitvoeren, leiden, dirigeren
Voorbeeld:
(noun) conflict, ruzie, geschil;
(verb) botsen, conflicteren, strijden
Voorbeeld:
(adjective) kosmopolitisch, werelds;
(noun) kosmopoliet, wereldburger
Voorbeeld:
(adjective) druk, overvol
Voorbeeld:
(verb) bepalen, vaststellen, uitvinden
Voorbeeld:
(adverb) naar het centrum, in het centrum;
(noun) centrum, binnenstad;
(adjective) centraal, binnenstedelijk
Voorbeeld:
(noun) nadeel, minpunt
Voorbeeld:
(noun) bewoner, inwoner
Voorbeeld:
(adjective) gemakkelijk, ontspannen, tolerant
Voorbeeld:
(adjective) fantastisch, geweldig, fabelachtig
Voorbeeld:
(noun) factor, oorzaak, deler;
(verb) meenemen, incalculeren, ontbinden
Voorbeeld:
(adjective) verboden, niet toegestaan;
(past participle) verboden
Voorbeeld:
(noun) galerie, kunstgalerie, galerij
Voorbeeld:
(noun) geboorteplaats, thuisstad
Voorbeeld:
(noun) index, register, maatstaf;
(verb) indexeren, registeren, aanpassen
Voorbeeld:
(noun) indicator, aanwijzing, aanwijzer
Voorbeeld:
(noun) jetlag
Voorbeeld:
(noun) lightrail, sneltram
Voorbeeld:
(adjective) kunstmatig, door de mens gemaakt
Voorbeeld:
(adjective) middelgroot
Voorbeeld:
(noun) metro, ondergrondse
Voorbeeld:
(adjective) stedelijk, metropolitaan, aartsbisschop;
(noun) metropolitaan, aartsbisschop
Voorbeeld:
(adjective) multicultureel
Voorbeeld:
(adjective) negatief, ontkennend, schadelijk;
(noun) negatief, ontkenning
Voorbeeld:
(noun) Oceanië
Voorbeeld:
(adjective) vol, overvol, ingepakt;
(verb) inpakken, verpakken
Voorbeeld:
(noun) stoep, plaveisel
Voorbeeld:
(adjective) recreatief
Voorbeeld:
(adjective) betrouwbaar, degelijk
Voorbeeld:
(noun) inwoner, bewoner, resident;
(adjective) ingezeten, wonend
Voorbeeld:
(noun) wolkenkrabber
Voorbeeld:
(adjective) slim, intelligent, netjes;
(verb) pijn doen, prikken
Voorbeeld:
(adjective) vast, geblokkeerd, vastzittend
Voorbeeld:
(adjective) stedelijk, urbaan
Voorbeeld:
(noun) stadsuitbreiding, verstedelijking
Voorbeeld:
(noun) verscheidenheid, variatie, variëteit
Voorbeeld:
(verb) dwalen, rondzwerven, kronkelen
Voorbeeld:
(phrasal verb) opvrolijken, opbeuren
Voorbeeld:
(phrasal verb) opgroeien, volwassen worden, rijpen
Voorbeeld:
(phrasal verb) aantrekken, opzetten, aanzetten
Voorbeeld: