Vocabulaireverzameling Eenheid 15: Wat wilt u in de toekomst worden? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 15: Wat wilt u in de toekomst worden?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) toekomst, vooruitzichten;
(adjective) toekomstig
Voorbeeld:
(noun) piloot, loods, pilotaflevering;
(verb) besturen, loodsen;
(adjective) pilot, proef
Voorbeeld:
(noun) dokter, arts, doctor;
(verb) vervalsen, manipuleren, repareren
Voorbeeld:
(noun) leraar, docent
Voorbeeld:
(noun) architect, bedenker, ontwerper
Voorbeeld:
(noun) ingenieur;
(verb) ontwerpen, bouwen, manipuleren
Voorbeeld:
(noun) schrijver, auteur
Voorbeeld:
(noun) accountant, boekhouder
Voorbeeld:
(noun) zakenpersoon, ondernemer
Voorbeeld:
(noun) verpleegkundige, verpleger, verpleegster;
(verb) verplegen, verzorgen, voeden
Voorbeeld:
(noun) kunstenaar, artieste, artiest
Voorbeeld:
(noun) muzikant
Voorbeeld:
(noun) zanger, zangeres
Voorbeeld:
(noun) boer, landbouwer
Voorbeeld:
(noun) danser, danseres
Voorbeeld:
(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;
(noun) vlieg, gulp
Voorbeeld:
(phrase) natuurlijk, uiteraard
Voorbeeld:
(adjective) bang, angstig
Voorbeeld:
(verb) verlaten, vertrekken, laten;
(noun) verlof, vrij, toestemming
Voorbeeld:
(phrasal verb) opgroeien, volwassen worden, rijpen
Voorbeeld:
(phrasal verb) zorgen voor, opletten op
Voorbeeld:
(adjective) geduldig;
(noun) patiënt
Voorbeeld:
(noun) ontwerp, tekening, vormgeving;
(verb) ontwerpen, vormgeven, bestemmen voor
Voorbeeld:
(noun) gebouw, bouw, constructie
Voorbeeld:
(noun) boerderij, hoeve;
(verb) verbouwen, boeren
Voorbeeld:
(noun) platteland
Voorbeeld:
(noun) ruimte, plek, heelal;
(verb) verspreiden, uit elkaar plaatsen
Voorbeeld:
(noun) ruimteschip, ruimtevaartuig
Voorbeeld:
(noun) astronaut
Voorbeeld:
(noun) planeet
Voorbeeld:
(adjective) belangrijk, essentieel, cruciaal
Voorbeeld:
(noun) droom, aspiratie, ideaal;
(verb) dromen, aspireren
Voorbeeld:
(adjective) waar, echt, trouw;
(adverb) nauwkeurig, precies
Voorbeeld:
(noun) baan, werk, klus;
(verb) uitbesteden, een klus doen
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld:
(verb) groeien, toenemen, verbouwen
Voorbeeld: