Vocabulaireverzameling Unit 2: Urbanisatie in Graad 12: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 2: Urbanisatie' in 'Graad 12' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) overvloedig, rijk, ruim
Voorbeeld:
(verb) versnellen, bespoedigen
Voorbeeld:
(noun) adres, toespraak, rede;
(verb) toespreken, aanpakken, adresseren
Voorbeeld:
(adjective) voldoende, adequaat, geschikt
Voorbeeld:
(verb) verergeren, verslechteren, irriteren
Voorbeeld:
(verb) verlichten, verzachten, verminderen
Voorbeeld:
(adjective) ambitieus, eerzuchtig, uitdagend
Voorbeeld:
(adjective) angstig, nerveus, enthousiast
Voorbeeld:
(adjective) catastrofaal, rampzalig
Voorbeeld:
(noun) compromis, schikking, aantasting;
(verb) compromitteren, concessies doen, aantasten
Voorbeeld:
(noun) opstopping, congestie, verstopping
Voorbeeld:
(noun) crimineel, misdadiger;
(adjective) crimineel, strafrechtelijk
Voorbeeld:
(adjective) fatsoenlijk, netjes, redelijk
Voorbeeld:
(verb) degraderen, vernederen, afbreken
Voorbeeld:
(adjective) dicht, compact, dom
Voorbeeld:
(verb) verslechteren, achteruitgaan
Voorbeeld:
(adjective) ontwikkeld, volgroeid;
(past participle) ontwikkelde, ontwikkeld
Voorbeeld:
(noun) dilemma, netelige situatie
Voorbeeld:
(verb) emuleren, evenaren, imiteren
Voorbeeld:
(verb) verergeren, verslechteren, verzwaren
Voorbeeld:
(noun) financiering, financiën, geldzaken;
(verb) financieren, bekostigen
Voorbeeld:
(verb) floreren, gedijen, zwaaien;
(noun) zwaai, gebaar, fanfare
Voorbeeld:
(noun) bruto binnenlands product
Voorbeeld:
(adjective) illegaal, onwettig
Voorbeeld:
(verb) immigreren
Voorbeeld:
(noun) infrastructuur
Voorbeeld:
(noun) inwoner, bewoner
Voorbeeld:
(noun) initiatief, daadkracht, plan
Voorbeeld:
(verb) marginaliseren, aan de zijlijn plaatsen
Voorbeeld:
(adjective) massief, enorm, aanzienlijk
Voorbeeld:
(noun) megastad
Voorbeeld:
(verb) migreren, trekken, verhuizen
Voorbeeld:
(noun) obstakel, hindernis, barrière
Voorbeeld:
(adjective) afgelegen, buitenliggend
Voorbeeld:
(adjective) bevoorrecht, vertrouwelijk, geheim;
(verb) bevoorrechten, voordelen geven
Voorbeeld:
(verb) voorstellen, opperen, ten huwelijk vragen
Voorbeeld:
(noun) vooruitzicht, perspectief, kans;
(verb) prospecteren, zoeken naar delfstoffen
Voorbeeld:
(noun) welvaart, voorspoed
Voorbeeld:
(verb) wijken, terugtrekken, achteruitgaan
Voorbeeld:
(noun) hervorming, verbetering;
(verb) hervormen, verbeteren
Voorbeeld:
(verb) regelen, reguleren, beheersen
Voorbeeld:
(noun) middel, remedie, oplossing;
(verb) verhelpen, herstellen
Voorbeeld:
(adjective) landelijk, ruraal
Voorbeeld:
(noun) sanitatie, riolering, volksgezondheid
Voorbeeld:
(noun) schaal, omvang, schub;
(verb) beklimmen, bestijgen, schubben
Voorbeeld:
(noun) tegenslag, terugslag, revers
Voorbeeld:
(noun) sloppenwijk, achterbuurt;
(verb) in een sloppenwijk verblijven, in armoede leven
Voorbeeld:
(adjective) verbijsterend, verbazingwekkend;
(verb) wankelend, struikelend
Voorbeeld:
(adjective) duurzaam, houdbaar, milieuvriendelijk
Voorbeeld:
(adjective) gedachteprovocerend, stimulerend
Voorbeeld:
(adjective) stedelijk, urbaan
Voorbeeld:
(verb) gebruiken, benutten, aanwenden
Voorbeeld:
(adjective) door weer en wind geteisterd, verweerd
Voorbeeld:
(adjective) breed, uitgebreid
Voorbeeld:
(phrase) de kost verdienen, leven
Voorbeeld: