Avatar of Vocabulary Set Unit 2: Urbanisatie

Vocabulaireverzameling Unit 2: Urbanisatie in Graad 12: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Unit 2: Urbanisatie' in 'Graad 12' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

abundant

/əˈbʌn.dənt/

(adjective) overvloedig, rijk, ruim

Voorbeeld:

Water is abundant in the region.
Water is overvloedig in de regio.

accelerate

/ekˈsel.ɚ.eɪt/

(verb) versnellen, bespoedigen

Voorbeeld:

The car began to accelerate as it entered the highway.
De auto begon te versnellen toen hij de snelweg opreed.

address

/ˈæd.res/

(noun) adres, toespraak, rede;

(verb) toespreken, aanpakken, adresseren

Voorbeeld:

Please write your name and address on the form.
Schrijf alstublieft uw naam en adres op het formulier.

adequate

/ˈæd.ə.kwət/

(adjective) voldoende, adequaat, geschikt

Voorbeeld:

The food supply was barely adequate for the refugees.
De voedselvoorraad was nauwelijks voldoende voor de vluchtelingen.

aggravate

/ˈæɡ.rə.veɪt/

(verb) verergeren, verslechteren, irriteren

Voorbeeld:

The loud music began to aggravate his headache.
De luide muziek begon zijn hoofdpijn te verergeren.

alleviate

/əˈliː.vi.eɪt/

(verb) verlichten, verzachten, verminderen

Voorbeeld:

The doctor prescribed medication to alleviate the pain.
De dokter schreef medicatie voor om de pijn te verlichten.

ambitious

/æmˈbɪʃ.əs/

(adjective) ambitieus, eerzuchtig, uitdagend

Voorbeeld:

She is an ambitious young lawyer.
Zij is een ambitieuze jonge advocaat.

anxious

/ˈæŋk.ʃəs/

(adjective) angstig, nerveus, enthousiast

Voorbeeld:

She was anxious about her exam results.
Ze was nerveus over haar examenresultaten.

catastrophic

/ˌkæt̬.əˈstrɑː.fɪk/

(adjective) catastrofaal, rampzalig

Voorbeeld:

The earthquake caused catastrophic damage to the city.
De aardbeving veroorzaakte catastrofale schade aan de stad.

compromise

/ˈkɑːm.prə.maɪz/

(noun) compromis, schikking, aantasting;

(verb) compromitteren, concessies doen, aantasten

Voorbeeld:

After long negotiations, they finally reached a compromise.
Na lange onderhandelingen bereikten ze eindelijk een compromis.

congestion

/kənˈdʒes.tʃən/

(noun) opstopping, congestie, verstopping

Voorbeeld:

Traffic congestion is a major problem in big cities.
Verkeersopstoppingen zijn een groot probleem in grote steden.

criminal

/ˈkrɪm.ə.nəl/

(noun) crimineel, misdadiger;

(adjective) crimineel, strafrechtelijk

Voorbeeld:

The police arrested the criminal after a long chase.
De politie arresteerde de crimineel na een lange achtervolging.

decent

/ˈdiː.sənt/

(adjective) fatsoenlijk, netjes, redelijk

Voorbeeld:

He's a decent guy, always willing to help.
Hij is een fatsoenlijke kerel, altijd bereid om te helpen.

degrade

/dɪˈɡreɪd/

(verb) degraderen, vernederen, afbreken

Voorbeeld:

It's wrong to degrade people based on their appearance.
Het is verkeerd om mensen te degraderen op basis van hun uiterlijk.

dense

/dens/

(adjective) dicht, compact, dom

Voorbeeld:

The forest was so dense that sunlight barely reached the ground.
Het bos was zo dicht dat zonlicht nauwelijks de grond bereikte.

deteriorate

/dɪˈtɪr.i.ə.reɪt/

(verb) verslechteren, achteruitgaan

Voorbeeld:

The weather conditions began to deteriorate rapidly.
De weersomstandigheden begonnen snel te verslechteren.

developed

/dɪˈvel.əpt/

(adjective) ontwikkeld, volgroeid;

(past participle) ontwikkelde, ontwikkeld

Voorbeeld:

Developed countries often have higher living standards.
Ontwikkelde landen hebben vaak hogere levensstandaarden.

dilemma

/daɪˈlem.ə/

(noun) dilemma, netelige situatie

Voorbeeld:

She was faced with the dilemma of whether to stay in her current job or take a new one with more responsibility.
Ze stond voor het dilemma of ze in haar huidige baan moest blijven of een nieuwe moest aannemen met meer verantwoordelijkheid.

emulate

/ˈem.jə.leɪt/

(verb) emuleren, evenaren, imiteren

Voorbeeld:

She tried to emulate her favorite singer's vocal style.
Ze probeerde de zangstijl van haar favoriete zangeres te evenaren.

exacerbate

/ɪɡˈzæs.ɚ.beɪt/

(verb) verergeren, verslechteren, verzwaren

Voorbeeld:

The new policy will only exacerbate the problem of unemployment.
Het nieuwe beleid zal het probleem van werkloosheid alleen maar verergeren.

finance

/ˈfaɪ.næns/

(noun) financiering, financiën, geldzaken;

(verb) financieren, bekostigen

Voorbeeld:

She works in the field of corporate finance.
Zij werkt op het gebied van bedrijfsfinanciering.

flourish

/ˈflɝː.ɪʃ/

(verb) floreren, gedijen, zwaaien;

(noun) zwaai, gebaar, fanfare

Voorbeeld:

The plants flourish in warm, humid climates.
De planten gedijen goed in warme, vochtige klimaten.

gross domestic product

/ˌɡroʊs dəˌmes.tɪk ˈprɑː.dʌkt/

(noun) bruto binnenlands product

Voorbeeld:

The country's gross domestic product increased by 3% last year.
Het bruto binnenlands product van het land steeg vorig jaar met 3%.

illicit

/ɪˈlɪs.ɪt/

(adjective) illegaal, onwettig

Voorbeeld:

The police seized a large quantity of illicit drugs.
De politie nam een grote hoeveelheid illegale drugs in beslag.

immigrate

/ˈɪm.ə.ɡreɪt/

(verb) immigreren

Voorbeeld:

Many people immigrate to Canada for better opportunities.
Veel mensen immigreren naar Canada voor betere kansen.

infrastructure

/ˈɪn.frəˌstrʌk.tʃɚ/

(noun) infrastructuur

Voorbeeld:

The country's aging infrastructure needs significant investment.
De verouderende infrastructuur van het land heeft aanzienlijke investeringen nodig.

inhabitant

/ɪnˈhæb.ɪ.tənt/

(noun) inwoner, bewoner

Voorbeeld:

The island's original inhabitants lived in harmony with nature.
De oorspronkelijke bewoners van het eiland leefden in harmonie met de natuur.

initiative

/ɪˈnɪʃ.ə.t̬ɪv/

(noun) initiatief, daadkracht, plan

Voorbeeld:

She showed great initiative in organizing the event.
Ze toonde veel initiatief bij het organiseren van het evenement.

marginalize

/ˈmɑːr.dʒɪ.nəl.aɪz/

(verb) marginaliseren, aan de zijlijn plaatsen

Voorbeeld:

The new policy tends to marginalize the voices of minority groups.
Het nieuwe beleid heeft de neiging de stemmen van minderheidsgroepen te marginaliseren.

massive

/ˈmæs.ɪv/

(adjective) massief, enorm, aanzienlijk

Voorbeeld:

The building has a massive oak door.
Het gebouw heeft een massieve eiken deur.

megacity

/ˈmeɡ.ə.sɪt̬.i/

(noun) megastad

Voorbeeld:

Tokyo is a prime example of a modern megacity.
Tokio is een schoolvoorbeeld van een moderne megastad.

migrate

/ˈmaɪ.ɡreɪt/

(verb) migreren, trekken, verhuizen

Voorbeeld:

Birds migrate south for the winter.
Vogels migreren naar het zuiden voor de winter.

obstacle

/ˈɑːb.stə.kəl/

(noun) obstakel, hindernis, barrière

Voorbeeld:

The fallen tree was an obstacle in our path.
De omgevallen boom was een obstakel op ons pad.

outlying

/ˈaʊtˌlaɪ.ɪŋ/

(adjective) afgelegen, buitenliggend

Voorbeeld:

The company has several outlying branches.
Het bedrijf heeft verschillende afgelegen vestigingen.

privileged

/ˈprɪv.əl.ɪdʒd/

(adjective) bevoorrecht, vertrouwelijk, geheim;

(verb) bevoorrechten, voordelen geven

Voorbeeld:

Only a privileged few have access to the executive lounge.
Slechts een bevoorrechte groep heeft toegang tot de executive lounge.

propose

/prəˈpoʊz/

(verb) voorstellen, opperen, ten huwelijk vragen

Voorbeeld:

He proposed a new strategy for the company.
Hij stelde een nieuwe strategie voor het bedrijf voor.

prospect

/ˈprɑː.spekt/

(noun) vooruitzicht, perspectief, kans;

(verb) prospecteren, zoeken naar delfstoffen

Voorbeeld:

The prospect of a long summer holiday is exciting.
Het vooruitzicht op een lange zomervakantie is spannend.

prosperity

/prɑːˈsper.ə.t̬i/

(noun) welvaart, voorspoed

Voorbeeld:

The country is enjoying a period of economic prosperity.
Het land geniet van een periode van economische welvaart.

recede

/rɪˈsiːd/

(verb) wijken, terugtrekken, achteruitgaan

Voorbeeld:

The floodwaters slowly began to recede.
Het vloedwater begon langzaam te wijken.

reform

/rɪˈfɔːrm/

(noun) hervorming, verbetering;

(verb) hervormen, verbeteren

Voorbeeld:

The government promised significant reform in the education system.
De regering beloofde aanzienlijke hervormingen in het onderwijssysteem.

regulate

/ˈreɡ.jə.leɪt/

(verb) regelen, reguleren, beheersen

Voorbeeld:

The thermostat regulates the temperature.
De thermostaat regelt de temperatuur.

remedy

/ˈrem.ə.di/

(noun) middel, remedie, oplossing;

(verb) verhelpen, herstellen

Voorbeeld:

There is no known remedy for the common cold.
Er is geen bekend middel tegen verkoudheid.

rural

/ˈrʊr.əl/

(adjective) landelijk, ruraal

Voorbeeld:

She grew up in a small rural village.
Ze groeide op in een klein landelijk dorp.

sanitation

/ˌsæn.əˈteɪ.ʃən/

(noun) sanitatie, riolering, volksgezondheid

Voorbeeld:

Improved sanitation is crucial for public health.
Verbeterde sanitatie is cruciaal voor de volksgezondheid.

scale

/skeɪl/

(noun) schaal, omvang, schub;

(verb) beklimmen, bestijgen, schubben

Voorbeeld:

The Richter scale measures the magnitude of earthquakes.
De schaal van Richter meet de omvang van aardbevingen.

setback

/ˈset.bæk/

(noun) tegenslag, terugslag, revers

Voorbeeld:

The project suffered a major setback due to funding cuts.
Het project liep een grote tegenslag op door bezuinigingen.

slum

/slʌm/

(noun) sloppenwijk, achterbuurt;

(verb) in een sloppenwijk verblijven, in armoede leven

Voorbeeld:

Many people live in the slums of the city.
Veel mensen wonen in de sloppenwijken van de stad.

staggering

/ˈstæɡ.ɚ.ɪŋ/

(adjective) verbijsterend, verbazingwekkend;

(verb) wankelend, struikelend

Voorbeeld:

The cost of the project was a staggering amount.
De kosten van het project waren een verbijsterend bedrag.

sustainable

/səˈsteɪ.nə.bəl/

(adjective) duurzaam, houdbaar, milieuvriendelijk

Voorbeeld:

The company aims for sustainable growth.
Het bedrijf streeft naar duurzame groei.

thought-provoking

/ˈθɑːt.prəˌvoʊk.ɪŋ/

(adjective) gedachteprovocerend, stimulerend

Voorbeeld:

The documentary was incredibly thought-provoking, raising many questions about society.
De documentaire was ongelooflijk gedachteprovocerend en riep veel vragen op over de samenleving.

urban

/ˈɝː.bən/

(adjective) stedelijk, urbaan

Voorbeeld:

Urban areas often have higher population densities.
Stedelijke gebieden hebben vaak hogere bevolkingsdichtheden.

utilize

/ˈjuː.t̬əl.aɪz/

(verb) gebruiken, benutten, aanwenden

Voorbeeld:

The company decided to utilize new technology to improve efficiency.
Het bedrijf besloot nieuwe technologie te gebruiken om de efficiëntie te verbeteren.

weather-beaten

/ˈweð.ərˌbiː.tən/

(adjective) door weer en wind geteisterd, verweerd

Voorbeeld:

The old sailor had a weather-beaten face.
De oude zeeman had een door weer en wind geteisterd gezicht.

wide-ranging

/ˈwaɪdˌreɪn.dʒɪŋ/

(adjective) breed, uitgebreid

Voorbeeld:

The discussion covered a wide-ranging set of topics.
De discussie omvatte een breed scala aan onderwerpen.

make a living

/meɪk ə ˈlɪv.ɪŋ/

(phrase) de kost verdienen, leven

Voorbeeld:

It's hard to make a living as an artist.
Het is moeilijk om de kost te verdienen als kunstenaar.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland