Vocabulaireverzameling B1 - Letter W in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter W' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(adjective) warm, hartelijk;
(verb) opwarmen, verwarmen;
(adverb) warm, hartelijk
Voorbeeld:
(verb) waarschuwen, voorlichten, adviseren
Voorbeeld:
(noun) waarschuwing, alarm, kennisgeving
Voorbeeld:
(noun) afval, resten, verspilling;
(verb) verspillen, verkwisten, verkwijnen;
(adjective) woest, braakliggend
Voorbeeld:
(noun) water;
(verb) wateren, begieten
Voorbeeld:
(noun) golf, zwaai, gebaar;
(verb) zwaaien, wenken, wapperen
Voorbeeld:
(noun) wapen, middel
Voorbeeld:
(verb) wegen, afwegen, beoordelen
Voorbeeld:
(adjective) westelijk, westers;
(noun) western
Voorbeeld:
(determiner) wat ook, welke dan ook;
(pronoun) wat ook, alles wat;
(exclamation) wat dan ook, het maakt niet uit
Voorbeeld:
(conjunction) wanneer, telkens als;
(adverb) wanneer dan ook, op elk moment
Voorbeeld:
(conjunction) of
Voorbeeld:
(noun) tijd, poos;
(conjunction) terwijl, gedurende, hoewel;
(verb) verdoen, doorbrengen
Voorbeeld:
(adjective) heel, geheel, intact;
(noun) geheel, totaliteit;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(modal verb) zullen, willen, van plan zijn;
(noun) wil, wilskracht, testament;
(verb) vermaken, nalaten
Voorbeeld:
(verb) winnen, verkrijgen;
(noun) overwinning, winst
Voorbeeld:
(noun) vleugel, gedeelte, factie;
(verb) voorzien van vleugels, in de vleugel raken, improviseren
Voorbeeld:
(preposition) binnen, in;
(adverb) binnen, intern
Voorbeeld:
(noun) verwondering, wonder, fenomeen;
(verb) zich afvragen, verwonderen, verbazen
Voorbeeld:
(noun) wol, wollen stof
Voorbeeld:
(adjective) wereldwijd, over de hele wereld;
(adverb) wereldwijd, over de hele wereld
Voorbeeld:
(verb) zich zorgen maken, verontrusten, lastigvallen;
(noun) zorgen, bezorgdheid
Voorbeeld:
(adjective) slechter, erger;
(adverb) slechter, erger;
(noun) het ergste, het slechtere
Voorbeeld:
(adjective) slechtste;
(adverb) het slechtst, het ergst;
(noun) het slechtste, het ergste
Voorbeeld:
(noun) waarde, verdienste, prijs;
(adjective) waard
Voorbeeld:
(adjective) schriftelijk, geschreven;
(past participle) geschreven
Voorbeeld:
(adjective) fout, verkeerd, onjuist;
(adverb) verkeerd, fout;
(noun) fout, onrecht;
(verb) onrecht aandoen, benadelen
Voorbeeld: