Avatar of Vocabulary Set B1 - Letter L

Vocabulaireverzameling B1 - Letter L in Oxford 3000 - B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Letter L' in 'Oxford 3000 - B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

label

/ˈleɪ.bəl/

(noun) etiket, label, stempel;

(verb) etiketteren, labelen, bestempelen

Voorbeeld:

Check the label for washing instructions.
Controleer het etiket voor de wasvoorschriften.

laboratory

/ˈlæb.rə.tɔːr.i/

(noun) laboratorium, lab

Voorbeeld:

The scientists conducted experiments in the laboratory.
De wetenschappers voerden experimenten uit in het laboratorium.

lack

/læk/

(noun) gebrek, tekort;

(verb) missen, ontbreken

Voorbeeld:

The project failed due to a lack of funding.
Het project mislukte door een gebrek aan financiering.

latest

/ˈleɪ.t̬ɪst/

(adjective) laatste, nieuwste, meest recente;

(adverb) uiterlijk, op zijn laatst

Voorbeeld:

Have you heard the latest news?
Heb je het laatste nieuws gehoord?

lay

/leɪ/

(verb) leggen, eieren leggen;

(noun) ligging, indeling;

(adjective) leken, niet-geestelijk

Voorbeeld:

She carefully laid the baby in the crib.
Ze legde de baby voorzichtig in de wieg.

layer

/ˈleɪ.ɚ/

(noun) laag;

(verb) in lagen leggen, stapelen

Voorbeeld:

The cake has three layers of chocolate.
De taart heeft drie lagen chocolade.

lead

/liːd/

(noun) leiding, voorbeeld, voorsprong;

(verb) leiden, gidsen, aanvoeren

Voorbeeld:

She took the lead in organizing the event.
Zij nam de leiding bij het organiseren van het evenement.

leading

/ˈliː.dɪŋ/

(adjective) leidend, toonaangevend, voornaamste

Voorbeeld:

She played the leading role in the play.
Zij speelde de hoofdrol in het toneelstuk.

leaf

/liːf/

(noun) blad, pagina;

(idiom) een nieuw blad omslaan, een nieuwe start maken;

(verb) bladeren, doorbladeren

Voorbeeld:

The tree shed its leaves in autumn.
De boom verloor zijn bladeren in de herfst.

leather

/ˈleð.ɚ/

(noun) leer;

(verb) slaan, afranselen

Voorbeeld:

The jacket is made of genuine leather.
De jas is gemaakt van echt leer.

legal

/ˈliː.ɡəl/

(adjective) juridisch, wettelijk, legaal

Voorbeeld:

He sought legal advice from a lawyer.
Hij zocht juridisch advies bij een advocaat.

leisure

/ˈliː.ʒɚ/

(noun) vrije tijd, ontspanning

Voorbeeld:

He spends his leisure time reading books.
Hij besteedt zijn vrije tijd aan het lezen van boeken.

length

/leŋθ/

(noun) lengte, duur, tijdsduur

Voorbeeld:

The table has a length of two meters.
De tafel heeft een lengte van twee meter.

level

/ˈlev.əl/

(noun) niveau, peil, vlak;

(adjective) vlak, waterpas;

(verb) egaliseren, vlak maken

Voorbeeld:

The water level in the reservoir is low.
Het waterpeil in het stuwmeer is laag.

lie

/laɪ/

(verb) liggen, zich bevinden, liegen;

(noun) leugen, onwaarheid

Voorbeeld:

She likes to lie on the beach and read.
Ze houdt ervan om op het strand te liggen en te lezen.

like

/laɪk/

(preposition) zoals, gelijk aan, bijvoorbeeld;

(verb) leuk vinden, houden van, willen;

(conjunction) als, zoals;

(adverb) zei, was van mening;

(interjection) zoiets als, was van mening;

(noun) gelijke, soortgelijke

Voorbeeld:

She looks just like her mother.
Ze lijkt precies op haar moeder.

limit

/ˈlɪm.ɪt/

(noun) limiet, grens, maximum;

(verb) beperken, begrenzen

Voorbeeld:

There's a speed limit on this road.
Er is een snelheidslimiet op deze weg.

lip

/lɪp/

(noun) lip, rand;

(verb) brutaal zijn, mondig zijn

Voorbeeld:

She bit her lip nervously.
Ze beet nerveus op haar lip.

liquid

/ˈlɪk.wɪd/

(noun) vloeistof;

(adjective) vloeibaar, liquide, contant

Voorbeeld:

Water is a clear liquid.
Water is een heldere vloeistof.

literature

/ˈlɪt̬.ɚ.ə.tʃɚ/

(noun) literatuur, geschriften, documentatie

Voorbeeld:

She studies English literature at university.
Ze studeert Engelse literatuur aan de universiteit.

live

/lɪv/

(verb) leven, wonen, verblijven;

(adjective) live, rechtstreeks, levend;

(adverb) live, rechtstreeks

Voorbeeld:

She hopes to live a long and happy life.
Ze hoopt een lang en gelukkig leven te leven.

living

/ˈlɪv.ɪŋ/

(noun) levend, in leven, kost;

(adjective) levend, in leven

Voorbeeld:

The doctor confirmed he was still living.
De dokter bevestigde dat hij nog leefde.

local

/ˈloʊ.kəl/

(adjective) lokaal, plaatselijk;

(noun) lokale bewoner, plaatselijke, stoptrein

Voorbeeld:

The local bakery makes the best bread.
De lokale bakkerij maakt het beste brood.

locate

/loʊˈkeɪt/

(verb) lokaliseren, vinden, vestigen

Voorbeeld:

Can you help me locate my lost keys?
Kun je me helpen mijn verloren sleutels te vinden?

located

/ˈloʊ.keɪ.t̬ɪd/

(adjective) gelegen, gevestigd;

(verb) lokaliseren, vinden

Voorbeeld:

The restaurant is conveniently located near the train station.
Het restaurant is gunstig gelegen nabij het treinstation.

location

/loʊˈkeɪ.ʃən/

(noun) locatie, plek, locatiebepaling

Voorbeeld:

The restaurant has a great location overlooking the sea.
Het restaurant heeft een geweldige locatie met uitzicht op zee.

lonely

/ˈloʊn.li/

(adjective) eenzaam, afgelegen

Voorbeeld:

She felt lonely after moving to a new city.
Ze voelde zich eenzaam na haar verhuizing naar een nieuwe stad.

loss

/lɑːs/

(noun) verlies, tekort

Voorbeeld:

The company reported a significant financial loss this quarter.
Het bedrijf rapporteerde dit kwartaal een aanzienlijk financieel verlies.

luxury

/ˈlʌk.ʃɚ.i/

(noun) luxe, weelde, luxeartikel;

(adjective) luxe, weelderig

Voorbeeld:

They live a life of luxury.
Ze leven een leven van luxe.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland