Avatar of Vocabulary Set A1 - Letter A

Vocabulaireverzameling A1 - Letter A in Oxford 3000 - A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Letter A' in 'Oxford 3000 - A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

A

/eɪ/

(determiner) een;

(noun) A, letter A

Voorbeeld:

I saw a dog in the park.
Ik zag een hond in het park.

an

/æn/

(article) een

Voorbeeld:

She wants an apple.
Ze wil een appel.

about

/əˈbaʊt/

(preposition) over, betreffende, ongeveer;

(adverb) bijna, op het punt staan;

(adjective) aanwezig, in de buurt

Voorbeeld:

What are you talking about?
Waar heb je het over?

above

/əˈbʌv/

(preposition) boven, meer dan, verheven boven;

(adverb) boven, omhoog, hoger;

(adjective) hierboven, bovengenoemd;

(noun) het bovengenoemde, het voorgaande

Voorbeeld:

The birds flew above the clouds.
De vogels vlogen boven de wolken.

across

/əˈkrɑːs/

(preposition) over, dwars door, aan de overkant van;

(adverb) over, dwars, duidelijk

Voorbeeld:

She walked across the street.
Ze liep over de straat.

action

/ˈæk.ʃən/

(noun) actie, handeling

Voorbeeld:

The government must take action to reduce crime.
De regering moet actie ondernemen om criminaliteit te verminderen.

activity

/ækˈtɪv.ə.t̬i/

(noun) activiteit, bedrijvigheid, bezigheid

Voorbeeld:

There was a lot of activity in the kitchen.
Er was veel activiteit in de keuken.

actor

/ˈæk.tɚ/

(noun) acteur

Voorbeeld:

He is a famous Hollywood actor.
Hij is een beroemde Hollywood acteur.

actress

/ˈæk.trəs/

(noun) actrice

Voorbeeld:

She is a famous actress known for her dramatic roles.
Zij is een beroemde actrice, bekend om haar dramatische rollen.

add

/æd/

(verb) toevoegen, optellen, berekenen

Voorbeeld:

Please add your name to the list.
Gelieve uw naam aan de lijst toe te voegen.

address

/ˈæd.res/

(noun) adres, toespraak, rede;

(verb) toespreken, aanpakken, adresseren

Voorbeeld:

Please write your name and address on the form.
Schrijf alstublieft uw naam en adres op het formulier.

adult

/ˈæd.ʌlt/

(noun) volwassene;

(adjective) volwassen, rijp

Voorbeeld:

Children must be accompanied by an adult.
Kinderen moeten worden begeleid door een volwassene.

advice

/ədˈvaɪs/

(noun) advies, raad

Voorbeeld:

Can I offer you some advice?
Mag ik u wat advies geven?

afraid

/əˈfreɪd/

(adjective) bang, bevreesd, helaas

Voorbeeld:

She was afraid of the dark.
Ze was bang in het donker.

after

/ˈæf.tɚ/

(preposition) na, achter;

(adverb) daarna, later;

(conjunction) achter, op zoek naar

Voorbeeld:

She arrived after the meeting had started.
Ze arriveerde nadat de vergadering was begonnen.

afternoon

/ˌæf.tɚˈnuːn/

(noun) middag

Voorbeeld:

I'll meet you this afternoon.
Ik ontmoet je vanmiddag.

again

/əˈɡen/

(adverb) weer, nogmaals, terug

Voorbeeld:

Can you say that again?
Kun je dat nog eens zeggen?

age

/eɪdʒ/

(noun) leeftijd, tijdperk, tijd;

(verb) verouderen, rijpen

Voorbeeld:

What is your age?
Wat is jouw leeftijd?

ago

/əˈɡoʊ/

(adverb) geleden

Voorbeeld:

She left for Paris three days ago.
Ze vertrok drie dagen geleden naar Parijs.

agree

/əˈɡriː/

(verb) instemmen, het eens zijn, overeenkomen

Voorbeeld:

I agree with your assessment.
Ik ben het eens met uw beoordeling.

air

/er/

(noun) lucht, sfeer, uitstraling;

(verb) uiten, uitzenden, ventileren

Voorbeeld:

The fresh air felt good after being indoors all day.
De frisse lucht voelde goed na de hele dag binnen te zijn geweest.

airport

/ˈer.pɔːrt/

(noun) luchthaven, vliegveld

Voorbeeld:

We arrived at the airport two hours before our flight.
We kwamen twee uur voor onze vlucht aan op de luchthaven.

all

/ɑːl/

(determiner) alle, heel;

(pronoun) alles, iedereen;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

She ate all the cake.
Ze at alle cake op.

also

/ˈɑːl.soʊ/

(adverb) ook, tevens, daarenboven

Voorbeeld:

She is a talented singer and also a great dancer.
Ze is een getalenteerde zangeres en ook een geweldige danseres.

always

/ˈɑːl.weɪz/

(adverb) altijd, voor altijd, voortdurend

Voorbeeld:

She always arrives on time.
Ze komt altijd op tijd aan.

amazing

/əˈmeɪ.zɪŋ/

(adjective) geweldig, verbazingwekkend

Voorbeeld:

The view from the mountain was amazing.
Het uitzicht vanaf de berg was geweldig.

and

/ænd/

(conjunction) en, bovendien

Voorbeeld:

He bought apples and oranges.
Hij kocht appels en sinaasappels.

angry

/ˈæŋ.ɡri/

(adjective) boos, woedend

Voorbeeld:

She was very angry about the decision.
Ze was erg boos over de beslissing.

animal

/ˈæn.ɪ.məl/

(noun) dier, beest, barbaar;

(adjective) dierlijk

Voorbeeld:

The zoo has many different types of animals.
De dierentuin heeft veel verschillende soorten dieren.

another

/əˈnʌð.ɚ/

(determiner) nog een, een andere, verschillende;

(pronoun) een ander, nog een

Voorbeeld:

Can I have another piece of cake?
Mag ik nog een stuk taart?

answer

/ˈæn.sɚ/

(noun) antwoord, reactie;

(verb) antwoorden, beantwoorden

Voorbeeld:

She gave a quick answer to the question.
Ze gaf een snel antwoord op de vraag.

any

/ˈen.i/

(determiner) enig, enige, elke;

(pronoun) enig, iemand;

(adverb) enigszins, helemaal

Voorbeeld:

Do you have any questions?
Heb je nog vragen?

anyone

/ˈen.i.wʌn/

(pronoun) iemand, wie dan ook

Voorbeeld:

Is there anyone home?
Is er iemand thuis?

anything

/ˈen.i.θɪŋ/

(pronoun) iets, enig, alles;

(adverb) enigszins, helemaal

Voorbeeld:

Do you need anything from the store?
Heb je iets nodig uit de winkel?

apartment

/əˈpɑːrt.mənt/

(noun) appartement, flat

Voorbeeld:

They rented a small apartment in the city center.
Ze huurden een klein appartement in het stadscentrum.

apple

/ˈæp.əl/

(noun) appel

Voorbeeld:

She bit into a crisp red apple.
Ze beet in een knapperige rode appel.

April

/ˈeɪ.prəl/

(noun) april

Voorbeeld:

Her birthday is in April.
Haar verjaardag is in april.

area

/ˈer.i.ə/

(noun) gebied, streek, oppervlakte

Voorbeeld:

The city has a large industrial area.
De stad heeft een groot industrieel gebied.

arm

/ɑːrm/

(noun) arm, wapen;

(verb) bewapenen

Voorbeeld:

She held the baby in her arms.
Ze hield de baby in haar armen.

around

/əˈraʊnd/

(preposition) rond, om, in de buurt;

(adverb) rond, in de buurt, overal

Voorbeeld:

The fence goes around the garden.
Het hek gaat rond de tuin.

arrive

/əˈraɪv/

(verb) aankomen, bereiken, aanbreken

Voorbeeld:

We will arrive at the airport by noon.
We zullen tegen de middag op de luchthaven aankomen.

art

/ɑːrt/

(noun) kunst, vaardigheid

Voorbeeld:

She studied fine art at university.
Ze studeerde beeldende kunst aan de universiteit.

article

/ˈɑːr.t̬ɪ.kəl/

(noun) artikel, voorwerp, stuk;

(article) lidwoord

Voorbeeld:

She wrote an interesting article about climate change.
Ze schreef een interessant artikel over klimaatverandering.

artist

/ˈɑːr.t̬ɪst/

(noun) kunstenaar, artieste, artiest

Voorbeeld:

Pablo Picasso was a renowned artist.
Pablo Picasso was een beroemde kunstenaar.

as

/æz/

(conjunction) terwijl, als, omdat;

(adverb) als, zoals;

(preposition) zoals, zo

Voorbeeld:

He sang as he walked down the street.
Hij zong terwijl hij over straat liep.

ask

/æsk/

(verb) vragen, informeren, verzoeken;

(noun) vraag, verzoek

Voorbeeld:

Can I ask you a question?
Mag ik je een vraag stellen?

at

/æt/

(preposition) op, aan, om

Voorbeeld:

She is at the park.
Ze is in het park.

august

/ˈɑː.ɡəst/

(adjective) verheven, majestueus, eerbiedwaardig;

(noun) augustus

Voorbeeld:

The queen made an august appearance at the ceremony.
De koningin maakte een verheven verschijning op de ceremonie.

aunt

/ænt/

(noun) tante

Voorbeeld:

My aunt always bakes the best cookies.
Mijn tante bakt altijd de beste koekjes.

autumn

/ˈɑː.t̬əm/

(noun) herfst

Voorbeeld:

The leaves turn beautiful colors in autumn.
De bladeren krijgen prachtige kleuren in de herfst.

away

/əˈweɪ/

(adverb) weg, af, door;

(adjective) verderop, weg

Voorbeeld:

She walked away from the crowd.
Ze liep weg van de menigte.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland