Avatar of Vocabulary Set Top 76 - 100 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 76 - 100 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 76 - 100 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

turn

/tɝːn/

(verb) draaien, wenden, afbuigen;

(noun) bocht, beurt

Voorbeeld:

The Earth turns on its axis.
De aarde draait om haar as.

listen

/ˈlɪs.ən/

(verb) luisteren, gehoorzamen, aandacht schenken

Voorbeeld:

Please listen carefully to the instructions.
Gelieve aandachtig naar de instructies te luisteren.

hope

/hoʊp/

(noun) hoop, verwachting;

(verb) hopen, verwachten

Voorbeeld:

She has high hopes for her future.
Ze heeft hoge verwachtingen voor haar toekomst.

die

/daɪ/

(verb) sterven, overlijden, uitvallen;

(noun) dobbelsteen

Voorbeeld:

Many plants die in the winter.
Veel planten sterven in de winter.

send

/send/

(verb) sturen, verzenden, doen gaan

Voorbeeld:

I will send you an email with the details.
Ik zal je een e-mail sturen met de details.

sound

/saʊnd/

(noun) geluid, klank, zeestraat;

(verb) klinken, luiden, lijken;

(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;

(adverb) diep, grondig

Voorbeeld:

The sound of music filled the room.
Het geluid van muziek vulde de kamer.

wear

/wer/

(verb) dragen, slijten, verslijten;

(noun) slijtage, gebruik, kleding

Voorbeeld:

She likes to wear bright colors.
Ze draagt graag felle kleuren.

share

/ʃer/

(noun) deel, aandeel;

(verb) delen, meedelen

Voorbeeld:

Everyone received an equal share of the profits.
Iedereen ontving een gelijk deel van de winst.

cause

/kɑːz/

(noun) oorzaak, reden, zaak;

(verb) veroorzaken, teweegbrengen

Voorbeeld:

The heavy rain was the cause of the flood.
De zware regen was de oorzaak van de overstroming.

kill

/kɪl/

(verb) doden, vermoorden, beëindigen;

(noun) doodslag, buit

Voorbeeld:

The hunter managed to kill a deer.
De jager slaagde erin een hert te doden.

walk

/wɑːk/

(verb) lopen, wandelen, uitlaten;

(noun) wandeling, loopafstand

Voorbeeld:

She likes to walk in the park every morning.
Ze houdt ervan om elke ochtend in het park te wandelen.

meet

/miːt/

(verb) ontmoeten, voldoen aan, halen;

(noun) bijeenkomst, wedstrijd

Voorbeeld:

I'm going to meet my friends at the cafe.
Ik ga mijn vrienden ontmoeten in het café.

guess

/ɡes/

(verb) raden, gissen;

(noun) gok, schatting

Voorbeeld:

Can you guess how many candies are in the jar?
Kun je raden hoeveel snoepjes er in de pot zitten?

set

/set/

(verb) zetten, leggen, plaatsen;

(noun) set, reeks, stand;

(adjective) vastgesteld, vast

Voorbeeld:

She set the book on the table.
Ze zette het boek op tafel.

decide

/dɪˈsaɪd/

(verb) beslissen, besluiten, doen besluiten

Voorbeeld:

I need to decide what to wear for the party.
Ik moet beslissen wat ik naar het feest aantrek.

end

/end/

(noun) einde, slot, uiteinde;

(verb) eindigen, afsluiten, beëindigen

Voorbeeld:

We reached the end of the road.
We bereikten het einde van de weg.

choose

/tʃuːz/

(verb) kiezen, uitkiezen, beslissen

Voorbeeld:

You can choose any book you like from the shelf.
Je kunt elk boek kiezen dat je wilt uit de kast.

click

/klɪk/

(noun) klik;

(verb) klikken, duidelijk worden

Voorbeeld:

I heard a click as the door locked.
Ik hoorde een klik toen de deur op slot ging.

win

/wɪn/

(verb) winnen, verkrijgen;

(noun) overwinning, winst

Voorbeeld:

Our team hopes to win the championship this year.
Ons team hoopt dit jaar het kampioenschap te winnen.

save

/seɪv/

(verb) redden, behouden, sparen;

(noun) redding, behoudenis, besparing

Voorbeeld:

The lifeguard saved the drowning child.
De badmeester redde het verdrinkende kind.

consider

/kənˈsɪd.ɚ/

(verb) overwegen, in overweging nemen, beschouwen

Voorbeeld:

You should consider all the options before deciding.
Je moet alle opties overwegen voordat je een beslissing neemt.

break

/breɪk/

(verb) breken, stukmaken, onderbreken;

(noun) pauze, onderbreking, uitbraak

Voorbeeld:

The glass will break if you drop it.
Het glas zal breken als je het laat vallen.

check

/tʃek/

(verb) controleren, nakijken, stoppen;

(noun) controle, stop, ruit

Voorbeeld:

Please check your answers carefully.
Controleer uw antwoorden zorgvuldig.

sell

/sel/

(verb) verkopen, verhandelen, overtuigen;

(noun) verkoop, bedrog

Voorbeeld:

They decided to sell their old car.
Ze besloten hun oude auto te verkopen.

drive

/draɪv/

(verb) rijden, besturen, drijven;

(noun) rit, autorit, drang

Voorbeeld:

She learned to drive when she was sixteen.
Ze leerde rijden toen ze zestien was.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland