Vocabulaireverzameling Top 76 - 100 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Top 76 - 100 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) draaien, wenden, afbuigen;
(noun) bocht, beurt
Voorbeeld:
(verb) luisteren, gehoorzamen, aandacht schenken
Voorbeeld:
(noun) hoop, verwachting;
(verb) hopen, verwachten
Voorbeeld:
(verb) sterven, overlijden, uitvallen;
(noun) dobbelsteen
Voorbeeld:
(verb) sturen, verzenden, doen gaan
Voorbeeld:
(noun) geluid, klank, zeestraat;
(verb) klinken, luiden, lijken;
(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;
(adverb) diep, grondig
Voorbeeld:
(verb) dragen, slijten, verslijten;
(noun) slijtage, gebruik, kleding
Voorbeeld:
(noun) deel, aandeel;
(verb) delen, meedelen
Voorbeeld:
(noun) oorzaak, reden, zaak;
(verb) veroorzaken, teweegbrengen
Voorbeeld:
(verb) doden, vermoorden, beëindigen;
(noun) doodslag, buit
Voorbeeld:
(verb) lopen, wandelen, uitlaten;
(noun) wandeling, loopafstand
Voorbeeld:
(verb) ontmoeten, voldoen aan, halen;
(noun) bijeenkomst, wedstrijd
Voorbeeld:
(verb) raden, gissen;
(noun) gok, schatting
Voorbeeld:
(verb) zetten, leggen, plaatsen;
(noun) set, reeks, stand;
(adjective) vastgesteld, vast
Voorbeeld:
(verb) beslissen, besluiten, doen besluiten
Voorbeeld:
(noun) einde, slot, uiteinde;
(verb) eindigen, afsluiten, beëindigen
Voorbeeld:
(verb) kiezen, uitkiezen, beslissen
Voorbeeld:
(noun) klik;
(verb) klikken, duidelijk worden
Voorbeeld:
(verb) winnen, verkrijgen;
(noun) overwinning, winst
Voorbeeld:
(verb) redden, behouden, sparen;
(noun) redding, behoudenis, besparing
Voorbeeld:
(verb) overwegen, in overweging nemen, beschouwen
Voorbeeld:
(verb) breken, stukmaken, onderbreken;
(noun) pauze, onderbreking, uitbraak
Voorbeeld:
(verb) controleren, nakijken, stoppen;
(noun) controle, stop, ruit
Voorbeeld:
(verb) verkopen, verhandelen, overtuigen;
(noun) verkoop, bedrog
Voorbeeld:
(verb) rijden, besturen, drijven;
(noun) rit, autorit, drang
Voorbeeld: