Avatar of Vocabulary Set Top 226 - 250 Verbs

Vocabulaireverzameling Top 226 - 250 Verbs in 500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 226 - 250 Verbs' in '500 Meest Voorkomende Engelse Werkwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

solve

/sɑːlv/

(verb) oplossen

Voorbeeld:

We need to solve this problem quickly.
We moeten dit probleem snel oplossen.

destroy

/dɪˈstrɔɪ/

(verb) vernietigen, verwoesten, kapotmaken

Voorbeeld:

The fire completely destroyed the old building.
De brand verwoestte het oude gebouw volledig.

respond

/rɪˈspɑːnd/

(verb) reageren, antwoorden, respons geven

Voorbeeld:

She didn't respond to my question.
Ze reageerde niet op mijn vraag.

discuss

/dɪˈskʌs/

(verb) bespreken, discussiëren

Voorbeeld:

Let's discuss the new project during the meeting.
Laten we het nieuwe project bespreken tijdens de vergadering.

attack

/əˈtæk/

(noun) aanval, kritiek;

(verb) aanvallen, bekritiseren

Voorbeeld:

The army launched a surprise attack on the enemy.
Het leger lanceerde een verrassingsaanval op de vijand.

sing

/sɪŋ/

(verb) zingen, kwinkeleren, fluiten

Voorbeeld:

She loves to sing in the shower.
Ze houdt ervan om onder de douche te zingen.

own

/oʊn/

(adjective) eigen;

(verb) bezitten, eigenaar zijn van, toegeven;

(adverb) alleen, zelfstandig

Voorbeeld:

I have my own car.
Ik heb mijn eigen auto.

replace

/rɪˈpleɪs/

(verb) vervangen, in de plaats komen van, terugplaatsen

Voorbeeld:

Computers have replaced typewriters.
Computers hebben typemachines vervangen.

beat

/biːt/

(verb) slaan, afranselen, verslaan;

(noun) beat, ritme, slag;

(adjective) uitgeput, moe

Voorbeeld:

He was severely beaten by the attackers.
Hij werd zwaar geslagen door de aanvallers.

cost

/kɑːst/

(noun) kosten, prijs, opoffering;

(verb) kosten, resulteren in verlies

Voorbeeld:

The total cost of the trip was over $1000.
De totale kosten van de reis waren meer dan $1000.

identify

/aɪˈden.t̬ə.faɪ/

(verb) identificeren, herkennen, associëren

Voorbeeld:

Can you identify the person who stole your bag?
Kun je de persoon identificeren die je tas heeft gestolen?

jump

/dʒʌmp/

(verb) springen, hossen, schieten;

(noun) sprong, hup, stijging

Voorbeeld:

The cat jumped onto the table.
De kat sprong op tafel.

select

/səˈlekt/

(verb) kiezen, selecteren;

(adjective) select, uitgekozen

Voorbeeld:

She needs to select a dress for the party.
Ze moet een jurk uitkiezen voor het feest.

head

/hed/

(noun) hoofd, kop, leider;

(verb) gaan, zich begeven, leiden;

(adjective) hoofd, voorste

Voorbeeld:

She nodded her head in agreement.
Ze knikte haar hoofd instemmend.

smell

/smel/

(noun) reuk, reukvermogen, geur;

(verb) ruiken, besnuffelen, geuren

Voorbeeld:

Dogs have a very keen sense of smell.
Honden hebben een zeer scherp reukvermogen.

stick

/stɪk/

(noun) stok, tak, lat;

(verb) plakken, kleven, steken

Voorbeeld:

He picked up a stick from the ground.
Hij raapte een stok van de grond op.

argue

/ˈɑːrɡ.juː/

(verb) betogen, pleiten, ruziën

Voorbeeld:

The lawyer tried to argue that his client was innocent.
De advocaat probeerde te betogen dat zijn cliënt onschuldig was.

last

/læst/

(adjective) laatste, meest recente;

(adverb) laatst, voor het laatst;

(verb) duren, meegaan, blijven bestaan

Voorbeeld:

This is your last chance.
Dit is je laatste kans.

step

/step/

(noun) stap, trede, opstapje;

(verb) stappen, lopen

Voorbeeld:

He took a step forward.
Hij deed een stap naar voren.

practice

/ˈpræk.tɪs/

(noun) praktijk, toepassing, gewoonte;

(verb) oefenen, trainen, uitoefenen

Voorbeeld:

It's a good theory, but it won't work in practice.
Het is een goede theorie, maar het zal in de praktijk niet werken.

fit

/fɪt/

(verb) passen, zitten, passen bij;

(noun) pasvorm, passing, aanval;

(adjective) fit, in vorm, geschikt

Voorbeeld:

These shoes fit perfectly.
Deze schoenen passen perfect.

suffer

/ˈsʌf.ɚ/

(verb) lijden, ondergaan, lijden aan

Voorbeeld:

He suffered a heart attack.
Hij leed aan een hartaanval.

adjust

/əˈdʒʌst/

(verb) aanpassen, verstellen, zich schikken

Voorbeeld:

He adjusted his tie in the mirror.
Hij verstelde zijn stropdas in de spiegel.

cry

/kraɪ/

(verb) huilen, schreeuwen, roepen;

(noun) kreet, roep, huilbui

Voorbeeld:

The baby started to cry when he was hungry.
De baby begon te huilen toen hij honger had.

count

/kaʊnt/

(verb) tellen, meetellen, inclusief zijn;

(noun) telling, aantal, aanklacht

Voorbeeld:

Can you count how many apples are in the basket?
Kun je tellen hoeveel appels er in de mand liggen?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland