Avatar of Vocabulary Set Top 76 - 100 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 76 - 100 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 76 - 100 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

student

/ˈstuː.dənt/

(noun) student, leerling

Voorbeeld:

The new student quickly made friends.
De nieuwe student maakte snel vrienden.

room

/ruːm/

(noun) ruimte, plaats, kamer;

(verb) huisvesten, onderbrengen

Voorbeeld:

Is there enough room for everyone?
Is er genoeg ruimte voor iedereen?

information

/ˌɪn.fɚˈmeɪ.ʃən/

(noun) informatie, gegevens

Voorbeeld:

I need more information about the project.
Ik heb meer informatie nodig over het project.

process

/ˈprɑː.ses/

(noun) proces, gang van zaken, natuurlijk proces;

(verb) verwerken, bewerken, afhandelen

Voorbeeld:

The application process takes about two weeks.
Het aanvraagproces duurt ongeveer twee weken.

decision

/dɪˈsɪʒ.ən/

(noun) beslissing

Voorbeeld:

We need to make a decision soon.
We moeten snel een beslissing nemen.

kid

/kɪd/

(noun) kind, jongere, geitje;

(verb) grappen, plagen

Voorbeeld:

The kid was playing in the park.
Het kind speelde in het park.

phone

/foʊn/

(noun) telefoon;

(verb) bellen, telefoneren

Voorbeeld:

Can I use your phone to make a quick call?
Mag ik je telefoon gebruiken om snel te bellen?

movie

/ˈmuː.vi/

(noun) film, bioscoopfilm

Voorbeeld:

Let's go see a movie tonight.
Laten we vanavond een film gaan kijken.

show

/ʃoʊ/

(verb) tonen, laten zien, presenteren;

(noun) show, voorstelling, vertoning

Voorbeeld:

He likes to show off his new car.
Hij pronkt graag met zijn nieuwe auto.

experience

/ɪkˈspɪr.i.əns/

(noun) ervaring, belevenis;

(verb) ervaren, ondervinden

Voorbeeld:

He has a lot of experience in teaching.
Hij heeft veel ervaring in het lesgeven.

history

/ˈhɪs.t̬ɚ.i/

(noun) geschiedenis, verleden

Voorbeeld:

She is studying ancient Roman history at university.
Ze studeert oude Romeinse geschiedenis aan de universiteit.

piece

/piːs/

(noun) stuk, deel, item;

(verb) samenvoegen, herstellen

Voorbeeld:

She cut the cake into small pieces.
Ze sneed de cake in kleine stukjes.

type

/taɪp/

(noun) type, soort, lettertype;

(verb) typen, intypen

Voorbeeld:

What type of music do you like?
Welk type muziek vind je leuk?

energy

/ˈen.ɚ.dʒi/

(noun) energie, levenskracht

Voorbeeld:

She has a lot of energy for her age.
Ze heeft veel energie voor haar leeftijd.

face

/feɪs/

(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;

(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen

Voorbeeld:

She washed her face with cold water.
Ze waste haar gezicht met koud water.

house

/haʊs/

(noun) huis, gebouw;

(verb) huisvesten, onderbrengen

Voorbeeld:

They bought a new house in the suburbs.
Ze kochten een nieuw huis in de buitenwijken.

government

/ˈɡʌv.ɚn.mənt/

(noun) regering, overheid, regeringsvorm

Voorbeeld:

The government announced new policies to boost the economy.
De regering kondigde nieuwe beleidsmaatregelen aan om de economie te stimuleren.

light

/laɪt/

(noun) licht, lamp, lichtbron;

(verb) aansteken, verlichten;

(adjective) licht

Voorbeeld:

The room was filled with natural light.
De kamer was gevuld met natuurlijk licht.

sound

/saʊnd/

(noun) geluid, klank, zeestraat;

(verb) klinken, luiden, lijken;

(adjective) gezond, deugdelijk, verstandig;

(adverb) diep, grondig

Voorbeeld:

The sound of music filled the room.
Het geluid van muziek vulde de kamer.

city

/ˈsɪt̬.i/

(noun) stad

Voorbeeld:

New York City is known for its skyscrapers.
New York City staat bekend om zijn wolkenkrabbers.

brain

/breɪn/

(noun) hersenen, brein, intelligentie;

(verb) hersens inslaan, op het hoofd slaan

Voorbeeld:

The human brain is a complex organ.
Het menselijk brein is een complex orgaan.

health

/helθ/

(noun) gezondheid, gezondheidstoestand, conditie

Voorbeeld:

Good health is essential for a happy life.
Een goede gezondheid is essentieel voor een gelukkig leven.

foot

/fʊt/

(noun) voet, lengtemaat, onderkant;

(verb) lopen, te voet gaan, betalen

Voorbeeld:

He hurt his foot playing soccer.
Hij bezeerde zijn voet tijdens het voetballen.

audience

/ˈɑː.di.əns/

(noun) publiek, toehoorders, lezerspubliek

Voorbeeld:

The band played to a large audience.
De band speelde voor een groot publiek.

animal

/ˈæn.ɪ.məl/

(noun) dier, beest, barbaar;

(adjective) dierlijk

Voorbeeld:

The zoo has many different types of animals.
De dierentuin heeft veel verschillende soorten dieren.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland