Avatar of Vocabulary Set B1 - Media en Journalistiek

Vocabulaireverzameling B1 - Media en Journalistiek in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Media en Journalistiek' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

the media

/ðə ˈmiː.di.ə/

(noun) de media

Voorbeeld:

The media reported extensively on the event.
De media hebben uitgebreid over het evenement bericht.

ad

/æd/

(noun) advertentie, reclame

Voorbeeld:

I saw an ad for a new car on TV.
Ik zag een advertentie voor een nieuwe auto op tv.

advertise

/ˈæd.vɚ.taɪz/

(verb) adverteren, reclame maken, bekendmaken

Voorbeeld:

We need to advertise our new product more effectively.
We moeten ons nieuwe product effectiever adverteren.

advice column

/ədˈvaɪs ˌkɑːl.əm/

(noun) adviesrubriek, vraag-en-antwoordrubriek

Voorbeeld:

She writes an advice column for a popular women's magazine.
Zij schrijft een adviesrubriek voor een populair vrouwenblad.

break

/breɪk/

(verb) breken, stukmaken, onderbreken;

(noun) pauze, onderbreking, uitbraak

Voorbeeld:

The glass will break if you drop it.
Het glas zal breken als je het laat vallen.

broadcast

/ˈbrɑːd.kæst/

(verb) uitzenden, uitstralen, verkondigen;

(noun) uitzending, programma

Voorbeeld:

The BBC will broadcast the match live.
De BBC zal de wedstrijd live uitzenden.

channel

/ˈtʃæn.əl/

(noun) kanaal, waterweg, richting;

(verb) kanaliseren, leiden, uitdrukken

Voorbeeld:

What channel is the news on?
Op welk kanaal is het nieuws?

commercial

/kəˈmɝː.ʃəl/

(adjective) commercieel, handels-, winstgevend;

(noun) reclamespot, commercial

Voorbeeld:

The city is a major commercial center.
De stad is een belangrijk commercieel centrum.

edition

/ɪˈdɪʃ.ən/

(noun) editie, uitgave, oplage

Voorbeeld:

I have the first edition of that rare book.
Ik heb de eerste editie van dat zeldzame boek.

publish

/ˈpʌb.lɪʃ/

(verb) publiceren, uitgeven, bekendmaken

Voorbeeld:

The author hopes to publish her first novel next year.
De auteur hoopt volgend jaar haar eerste roman te publiceren.

edit

/ˈed.ɪt/

(verb) bewerken, redigeren, monteren;

(noun) bewerking, correctie

Voorbeeld:

Please edit this report before you submit it.
Gelieve dit rapport te bewerken voordat u het indient.

episode

/ˈep.ə.soʊd/

(noun) episode, gebeurtenis, voorval

Voorbeeld:

The whole episode was a complete disaster.
De hele episode was een complete ramp.

front page

/ˈfrʌnt ˌpeɪdʒ/

(noun) voorpagina, eerste pagina

Voorbeeld:

The scandal made it to the front page of every major newspaper.
Het schandaal haalde de voorpagina van elke grote krant.

cover

/ˈkʌv.ɚ/

(verb) bedekken, afdekken, behandelen;

(noun) deksel, omslag, cover

Voorbeeld:

She used a blanket to cover the sleeping child.
Ze gebruikte een deken om het slapende kind te bedekken.

headline

/ˈhed.laɪn/

(noun) kop, hoofding;

(verb) headlinen, de hoofdact zijn

Voorbeeld:

The shocking news was on the headline of every newspaper.
Het schokkende nieuws stond op de kop van elke krant.

host

/hoʊst/

(noun) gastheer, gastvrouw, menigte;

(verb) hosten, organiseren, onderbrengen

Voorbeeld:

Our host greeted us warmly at the door.
Onze gastheer begroette ons hartelijk bij de deur.

interview

/ˈɪn.t̬ɚ.vjuː/

(noun) sollicitatiegesprek, interview, gesprek;

(verb) interviewen, ondervragen

Voorbeeld:

She has an interview for a new job tomorrow.
Ze heeft morgen een sollicitatiegesprek voor een nieuwe baan.

introduce

/ˌɪn.trəˈduːs/

(verb) voorstellen, introduceren, invoeren

Voorbeeld:

Let me introduce you to my colleague, Sarah.
Laat me je voorstellen aan mijn collega, Sarah.

item

/ˈaɪ.t̬əm/

(noun) item, artikel, stuk

Voorbeeld:

Please check each item on the list.
Controleer elk item op de lijst.

journal

/ˈdʒɝː.nəl/

(noun) tijdschrift, blad, dagboek

Voorbeeld:

She publishes her research findings in a scientific journal.
Ze publiceert haar onderzoeksresultaten in een wetenschappelijk tijdschrift.

listener

/ˈlɪs.ən.ɚ/

(noun) luisteraar

Voorbeeld:

The radio show has a large audience of loyal listeners.
De radioshow heeft een groot publiek van trouwe luisteraars.

live

/lɪv/

(verb) leven, wonen, verblijven;

(adjective) live, rechtstreeks, levend;

(adverb) live, rechtstreeks

Voorbeeld:

She hopes to live a long and happy life.
Ze hoopt een lang en gelukkig leven te leven.

network

/ˈnet.wɝːk/

(noun) netwerk, web, groep;

(verb) netwerken, verbinden

Voorbeeld:

The city has a complex network of roads.
De stad heeft een complex netwerk van wegen.

station

/ˈsteɪ.ʃən/

(noun) station, halte, post;

(verb) stationeren, plaatsen

Voorbeeld:

I'll meet you at the train station.
Ik ontmoet je op het treinstation.

piece

/piːs/

(noun) stuk, deel, item;

(verb) samenvoegen, herstellen

Voorbeeld:

She cut the cake into small pieces.
Ze sneed de cake in kleine stukjes.

podcast

/ˈpɑːd.kæst/

(noun) podcast;

(verb) podcasten

Voorbeeld:

I listen to a true crime podcast every morning.
Ik luister elke ochtend naar een true crime podcast.

press

/pres/

(verb) drukken, persen, strijken;

(noun) pers, media, drukpers

Voorbeeld:

Press the button to start the machine.
Druk op de knop om de machine te starten.

reader

/ˈriː.dɚ/

(noun) lezer, leestoestel, leesboek

Voorbeeld:

She is an avid reader of historical novels.
Zij is een fervent lezer van historische romans.

report

/rɪˈpɔːrt/

(noun) rapport, verslag, knal;

(verb) melden, verslag doen, rapporteren aan

Voorbeeld:

The police issued a report on the incident.
De politie heeft een rapport over het incident uitgebracht.

show

/ʃoʊ/

(verb) tonen, laten zien, presenteren;

(noun) show, voorstelling, vertoning

Voorbeeld:

He likes to show off his new car.
Hij pronkt graag met zijn nieuwe auto.

soap opera

/ˈsoʊp ˌɑː.pər.ə/

(noun) soapserie, soap

Voorbeeld:

My grandmother watches a soap opera every afternoon.
Mijn grootmoeder kijkt elke middag naar een soapserie.

studio

/ˈstuː.di.oʊ/

(noun) studio, atelier, productiebedrijf

Voorbeeld:

The artist spent hours in her studio, painting her masterpiece.
De kunstenaar bracht uren door in haar atelier, schilderend aan haar meesterwerk.

view

/vjuː/

(noun) uitzicht, zicht, mening;

(verb) bekijken, zien, beschouwen

Voorbeeld:

The hotel room had a stunning view of the ocean.
De hotelkamer had een prachtig uitzicht op de oceaan.

viewer

/ˈvjuː.ɚ/

(noun) kijker, toeschouwer

Voorbeeld:

The art exhibition attracted many viewers.
De kunsttentoonstelling trok veel kijkers.

subscribe

/səbˈskraɪb/

(verb) abonneren, inschrijven, instemmen met

Voorbeeld:

I decided to subscribe to the monthly magazine.
Ik besloot me te abonneren op het maandblad.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland