Vocabulaireverzameling B1 - Spellen en Speelgoed in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Spellen en Speelgoed' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) dobbelsteen;
(verb) in blokjes snijden, dobbelen
Voorbeeld:
(noun) das, stropdas, gelijkspel;
(verb) binden, vastmaken, gelijkspelen
Voorbeeld:
(verb) valsspelen, bedriegen, vreemdgaan;
(noun) valsspeler, bedrieger
Voorbeeld:
(verb) gaan, werken, functioneren;
(noun) poging, beurt;
(adjective) klaar, gereed;
(exclamation) gaan, kom op
Voorbeeld:
(verb) draaien, wenden, afbuigen;
(noun) bocht, beurt
Voorbeeld:
(verb) spelen, uitvoeren, afspelen;
(noun) toneelstuk, spel, recreatie
Voorbeeld:
(noun) schaken
Voorbeeld:
(noun) kruiswoordpuzzel
Voorbeeld:
(noun) pop, schoonheid;
(verb) opdoffen, versieren
Voorbeeld:
(noun) poppenhuis
Voorbeeld:
(adjective) winnend, zegevierend;
(noun) overwinning, winst
Voorbeeld:
(noun) puzzel, raadsel, mysterie;
(verb) verwarren, verbijsteren
Voorbeeld:
(noun) truc, streek, kunstje;
(verb) bedriegen, foppen
Voorbeeld:
(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;
(noun) beweging, zet, verhuizing
Voorbeeld:
(noun) deal, overeenkomst, hoeveelheid;
(verb) delen, uitdelen, omgaan met
Voorbeeld:
(verb) troosten, consoleren;
(noun) console, sidetable, bedieningspaneel
Voorbeeld:
(noun) computerspel, videogame
Voorbeeld:
(noun) regel, voorschrift, heerschappij;
(verb) regeren, heersen, beheersen
Voorbeeld:
(noun) bowlen, kegelen
Voorbeeld:
(noun) raadspel, gokspel, onzekere situatie
Voorbeeld:
(noun) tafeltennis, pingpong
Voorbeeld:
(noun) ballon, heteluchtballon;
(verb) opzwellen, uitzetten
Voorbeeld:
(noun) plezier, pret, vermaak;
(adjective) leuk, grappig, vermakelijk
Voorbeeld:
(adjective) grappig, amuserend
Voorbeeld:
(noun) speeltijd, speelkwartier
Voorbeeld:
(noun) vlieger, wouw;
(verb) vliegeren
Voorbeeld:
(noun) darts, dartspel
Voorbeeld:
(noun) kaart, speelkaart;
(verb) om identiteitskaart vragen
Voorbeeld:
(noun) verstoppertje
Voorbeeld:
(noun) schaakmat;
(verb) verslaan, overwinnen, schaakmat zetten
Voorbeeld: