Avatar of Vocabulary Set B1 - Familie en Relaties

Vocabulaireverzameling B1 - Familie en Relaties in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Familie en Relaties' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

relation

/rɪˈleɪ.ʃən/

(noun) relatie, verband, familielid

Voorbeeld:

The relation between cause and effect is fundamental to science.
De relatie tussen oorzaak en gevolg is fundamenteel voor de wetenschap.

relationship

/rɪˈleɪ.ʃən.ʃɪp/

(noun) relatie, verband, omgang

Voorbeeld:

The relationship between diet and health is well-known.
De relatie tussen dieet en gezondheid is welbekend.

friendship

/ˈfrend.ʃɪp/

(noun) vriendschap

Voorbeeld:

Their friendship grew stronger over the years.
Hun vriendschap werd sterker door de jaren heen.

motherhood

/ˈmʌð.ɚ.hʊd/

(noun) moederschap

Voorbeeld:

She embraced motherhood with joy and dedication.
Ze omarmde het moederschap met vreugde en toewijding.

fatherhood

/ˈfɑː.ðɚ.hʊd/

(noun) vaderschap

Voorbeeld:

He embraced the joys and challenges of fatherhood.
Hij omarmde de vreugden en uitdagingen van het vaderschap.

relative

/ˈrel.ə.t̬ɪv/

(adjective) relatief, vergelijkend, gerelateerd;

(noun) familielid, verwant

Voorbeeld:

The cost is relative to the quality.
De kosten zijn relatief aan de kwaliteit.

marriage

/ˈmer.ɪdʒ/

(noun) huwelijk, echtverbintenis, combinatie

Voorbeeld:

Their marriage lasted for fifty years.
Hun huwelijk duurde vijftig jaar.

unmarried

/ʌnˈmer.ɪd/

(adjective) ongehuwd, ongebonden, vrijgezel

Voorbeeld:

She remained unmarried throughout her life.
Ze bleef haar hele leven ongehuwd.

engaged

/ɪnˈɡeɪdʒd/

(adjective) betrokken, bezig, verloofd

Voorbeeld:

She was deeply engaged in her research.
Ze was diep betrokken bij haar onderzoek.

separated

/ˈsep.ə.reɪ.tɪd/

(adjective) gescheiden, apart, afzonderlijk;

(verb) scheiden, afzonderen

Voorbeeld:

My parents have been separated for five years.
Mijn ouders zijn al vijf jaar gescheiden.

bride

/braɪd/

(noun) bruid

Voorbeeld:

The bride looked radiant in her white dress.
De bruid zag er stralend uit in haar witte jurk.

groom

/ɡruːm/

(noun) bruidegom, paardenverzorger, staljongen;

(verb) verzorgen, poetsen, voorbereiden

Voorbeeld:

The groom nervously waited at the altar for his bride.
De bruidegom wachtte nerveus bij het altaar op zijn bruid.

spouse

/spaʊs/

(noun) echtgenoot, echtgenote, partner;

(verb) trouwen, huwen

Voorbeeld:

Each spouse must sign the document.
Elke echtgenoot moet het document ondertekenen.

single parent

/ˈsɪŋ.ɡəl ˌper.ənt/

(noun) alleenstaande ouder

Voorbeeld:

Being a single parent can be challenging but rewarding.
Een alleenstaande ouder zijn kan uitdagend maar lonend zijn.

only child

/ˈoʊn.li ˌtʃaɪld/

(noun) enig kind

Voorbeeld:

Being an only child, she sometimes wished for a brother or sister.
Als enig kind wenste ze soms een broer of zus.

family

/ˈfæm.əl.i/

(noun) familie, gezin, geslacht;

(adjective) familie-, gezins-

Voorbeeld:

My family is coming to visit next week.
Mijn familie komt volgende week op bezoek.

mother-in-law

/ˈmʌð.ər.ɪn.lɔː/

(noun) schoonmoeder

Voorbeeld:

My mother-in-law is visiting us next week.
Mijn schoonmoeder komt volgende week bij ons op bezoek.

father-in-law

/ˈfɑː.ðər.ɪn.lɔː/

(noun) schoonvader

Voorbeeld:

My father-in-law is coming to visit next weekend.
Mijn schoonvader komt volgend weekend op bezoek.

sister-in-law

/ˈsɪs.tər.ɪn.lɔː/

(noun) schoonzus

Voorbeeld:

My sister-in-law is coming to visit next week.
Mijn schoonzus komt volgende week op bezoek.

brother-in-law

/ˈbrʌð.ər.ɪn.lɑː/

(noun) zwager

Voorbeeld:

My brother-in-law is coming to visit next week.
Mijn zwager komt volgende week op bezoek.

daughter-in-law

/ˈdɔː.tər.ɪn.lɔː/

(noun) schoondochter

Voorbeeld:

My daughter-in-law is a wonderful cook.
Mijn schoondochter is een geweldige kok.

son-in-law

/ˈsʌn.ɪn.lɔː/

(noun) schoonzoon

Voorbeeld:

My son-in-law is a very kind person.
Mijn schoonzoon is een heel aardig persoon.

parents-in-law

/ˈper.ənts ɪn ˌlɔː/

(plural noun) schoonouders

Voorbeeld:

My parents-in-law are visiting us next month.
Mijn schoonouders komen volgende maand op bezoek.

generation

/ˌdʒen.əˈreɪ.ʃən/

(noun) generatie, opwekking, afstamming

Voorbeeld:

The younger generation is more tech-savvy.
De jongere generatie is meer technisch onderlegd.

abandon

/əˈbæn.dən/

(verb) verlaten, achterlaten, opgeven;

(noun) overgave, onbezonnenheid

Voorbeeld:

We had to abandon the car.
We moesten de auto achterlaten.

bring up

/brɪŋ ʌp/

(phrasal verb) opvoeden, ter sprake brengen, aankaarten

Voorbeeld:

She was brought up by her grandparents.
Ze werd opgevoed door haar grootouders.

cheat

/tʃiːt/

(verb) valsspelen, bedriegen, vreemdgaan;

(noun) valsspeler, bedrieger

Voorbeeld:

He was caught trying to cheat on the exam.
Hij werd betrapt toen hij probeerde te valsspelen bij het examen.

leave

/liːv/

(verb) verlaten, vertrekken, laten;

(noun) verlof, vrij, toestemming

Voorbeeld:

She decided to leave the party early.
Ze besloot het feest vroeg te verlaten.

separate

/ˈsep.ɚ.ət/

(verb) scheiden, afzonderen, uit elkaar gaan;

(adjective) gescheiden, apart

Voorbeeld:

The fence separates the two properties.
Het hek scheidt de twee eigendommen.

close

/kloʊz/

(verb) sluiten, dichtdoen, afsluiten;

(adjective) dichtbij, nabij, nauwkeurig;

(adverb) dichtbij, nabij

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Gelieve de deur te sluiten wanneer u vertrekt.

related

/rɪˈleɪ.t̬ɪd/

(adjective) gerelateerd, verbonden, verwant

Voorbeeld:

The two issues are closely related.
De twee kwesties zijn nauw gerelateerd.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland