Avatar of Vocabulary Set B1 - Essentiële werkwoorden 1

Vocabulaireverzameling B1 - Essentiële werkwoorden 1 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Essentiële werkwoorden 1' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

admit

/ədˈmɪt/

(verb) toegeven, bekennen, toelaten

Voorbeeld:

He finally admitted his mistake.
Hij gaf uiteindelijk zijn fout toe.

advise

/ədˈvaɪz/

(verb) adviseren, aanraden, informeren

Voorbeeld:

I advise you to take a break.
Ik adviseer je om een pauze te nemen.

aim

/eɪm/

(noun) doel, streven;

(verb) richten, mikken, streven naar

Voorbeeld:

Our main aim is to improve customer satisfaction.
Ons belangrijkste doel is het verbeteren van klanttevredenheid.

announce

/əˈnaʊns/

(verb) aankondigen, bekendmaken, melden

Voorbeeld:

The company will announce its new product next month.
Het bedrijf zal volgende maand zijn nieuwe product aankondigen.

apologize

/əˈpɑː.lə.dʒaɪz/

(verb) verontschuldigen, excuses aanbieden

Voorbeeld:

I sincerely apologize for the delay.
Ik verontschuldig me oprecht voor de vertraging.

assist

/əˈsɪst/

(verb) helpen, assisteren;

(noun) hulp, assistentie

Voorbeeld:

Can I assist you with anything?
Kan ik u ergens mee helpen?

attach

/əˈtætʃ/

(verb) bevestigen, vastmaken, aanhechten

Voorbeeld:

Please attach the file to your email.
Gelieve het bestand aan uw e-mail te voegen.

award

/əˈwɔːrd/

(noun) onderscheiding, prijs;

(verb) toekennen, uitreiken

Voorbeeld:

She received an award for her outstanding performance.
Ze ontving een onderscheiding voor haar uitstekende prestatie.

bake

/beɪk/

(verb) bakken, uitdrogen

Voorbeeld:

She decided to bake a cake for her friend's birthday.
Ze besloot een cake te bakken voor de verjaardag van haar vriendin.

bend

/bend/

(verb) buigen, plooien, zwichten;

(noun) bocht, kromming

Voorbeeld:

He tried to bend the metal rod.
Hij probeerde de metalen staaf te buigen.

benefit

/ˈben.ə.fɪt/

(noun) voordeel, nut, profijt;

(verb) profiteren, voordeel trekken uit, ten goede komen

Voorbeeld:

The new policy will bring many benefits to the community.
Het nieuwe beleid zal veel voordelen voor de gemeenschap opleveren.

block

/blɑːk/

(noun) blok, klomp, gebouw;

(verb) blokkeren, versperren, verhinderen

Voorbeeld:

He used a concrete block to prop open the door.
Hij gebruikte een betonnen blok om de deur open te houden.

bother

/ˈbɑː.ðɚ/

(verb) de moeite nemen, zich inspannen, storen;

(noun) moeite, hinder

Voorbeeld:

Don't bother to call me if you're going to be late.
Doe geen moeite om me te bellen als je te laat bent.

bury

/ˈber.i/

(verb) begraven, verbergen, bedekken

Voorbeeld:

They decided to bury the treasure on a deserted island.
Ze besloten de schat op een verlaten eiland te begraven.

center

/ˈsen.t̬ɚ/

(noun) midden, centrum, faciliteit;

(verb) centreren, in het midden plaatsen

Voorbeeld:

The table is in the center of the room.
De tafel staat in het midden van de kamer.

claim

/kleɪm/

(verb) beweren, aanspraak maken op, opeisen;

(noun) bewering, claim, aanspraak

Voorbeeld:

He claims to be a direct descendant of the king.
Hij beweert een directe afstammeling van de koning te zijn.

clear

/klɪr/

(adjective) duidelijk, helder, doorzichtig;

(verb) ruimen, vrijmaken, klaren;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

The instructions were very clear.
De instructies waren erg duidelijk.

combine

/kəmˈbaɪn/

(verb) combineren, verenigen, samenvoegen;

(noun) maaidorser, combine

Voorbeeld:

We need to combine our efforts to finish this project on time.
We moeten onze inspanningen bundelen om dit project op tijd af te krijgen.

compliment

/ˈkɑːm.plə.mənt/

(noun) compliment, lof;

(verb) complimenteren, loven

Voorbeeld:

She received many compliments on her new dress.
Ze kreeg veel complimenten over haar nieuwe jurk.

concentrate

/ˈkɑːn.sən.treɪt/

(verb) concentreren, zich richten op, indikken;

(noun) concentraat, geconcentreerd product

Voorbeeld:

I need to concentrate on my studies.
Ik moet me concentreren op mijn studie.

conclude

/kənˈkluːd/

(verb) beëindigen, afsluiten, concluderen

Voorbeeld:

The meeting concluded with a vote.
De vergadering eindigde met een stemming.

confirm

/kənˈfɝːm/

(verb) bevestigen, vaststellen, versterken

Voorbeeld:

Please confirm your attendance by Friday.
Gelieve uw aanwezigheid voor vrijdag te bevestigen.

confuse

/kənˈfjuːz/

(verb) verwarren, in de war brengen, verwisselen

Voorbeeld:

The instructions confused him.
De instructies verwarden hem.

consist

/kənˈsɪst/

(verb) bestaan uit, zich samenstellen uit, liggen in

Voorbeeld:

The team consists of five members.
Het team bestaat uit vijf leden.

contact

/ˈkɑːn.tækt/

(noun) contact, aanraking, contactpersoon;

(verb) contact opnemen met, bereiken, aanraken

Voorbeeld:

Please keep in contact with us.
Blijf alstublieft in contact met ons.

contrast

/ˈkɑːn.træst/

(noun) contrast, tegenstelling;

(verb) contrasteren, tegenover elkaar stellen

Voorbeeld:

The white walls provided a stark contrast to the dark furniture.
De witte muren vormden een scherp contrast met het donkere meubilair.

convince

/kənˈvɪns/

(verb) overtuigen

Voorbeeld:

I hope this will convince you to change your mind.
Ik hoop dat dit je zal overtuigen om van gedachten te veranderen.

define

/dɪˈfaɪn/

(verb) definiëren, omschrijven, afbakenen

Voorbeeld:

The dictionary defines 'love' in many ways.
Het woordenboek definieert 'liefde' op vele manieren.

deliver

/dɪˈlɪv.ɚ/

(verb) bezorgen, leveren, opleveren

Voorbeeld:

The postman delivered the mail this morning.
De postbode bezorgde de post vanmorgen.

determine

/dɪˈtɝː.mɪn/

(verb) bepalen, vaststellen, uitvinden

Voorbeeld:

The success of the project will determine our future.
Het succes van het project zal onze toekomst bepalen.

divide

/dɪˈvaɪd/

(verb) verdelen, scheiden, delen;

(noun) scheiding, grens

Voorbeeld:

We need to divide the cake into equal slices.
We moeten de taart in gelijke plakken verdelen.

doubt

/daʊt/

(noun) twijfel, onzekerheid;

(verb) twijfelen, betwijfelen

Voorbeeld:

I have no doubt that she will succeed.
Ik heb er geen twijfel over dat ze zal slagen.

encourage

/ɪnˈkɝː.ɪdʒ/

(verb) aanmoedigen, stimuleren, bevorderen

Voorbeeld:

We encourage students to read widely.
Wij moedigen studenten aan om veel te lezen.

expand

/ɪkˈspænd/

(verb) uitbreiden, uitzetten, uitweiden

Voorbeeld:

The business plans to expand into new markets next year.
Het bedrijf is van plan volgend jaar naar nieuwe markten te uitbreiden.

belong

/bɪˈlɑːŋ/

(verb) behoren tot, toebehoren aan, thuishoren

Voorbeeld:

This book belongs to me.
Dit boek behoort mij toe.

complain

/kəmˈpleɪn/

(verb) klagen, zeuren, mopperen

Voorbeeld:

Customers often complain about slow service.
Klanten klagen vaak over trage service.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland