Vocabulaireverzameling B1 - Essentiële werkwoorden 1 in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Essentiële werkwoorden 1' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(verb) toegeven, bekennen, toelaten
Voorbeeld:
(verb) adviseren, aanraden, informeren
Voorbeeld:
(noun) doel, streven;
(verb) richten, mikken, streven naar
Voorbeeld:
(verb) aankondigen, bekendmaken, melden
Voorbeeld:
(verb) verontschuldigen, excuses aanbieden
Voorbeeld:
(verb) helpen, assisteren;
(noun) hulp, assistentie
Voorbeeld:
(verb) bevestigen, vastmaken, aanhechten
Voorbeeld:
(noun) onderscheiding, prijs;
(verb) toekennen, uitreiken
Voorbeeld:
(verb) bakken, uitdrogen
Voorbeeld:
(verb) buigen, plooien, zwichten;
(noun) bocht, kromming
Voorbeeld:
(noun) voordeel, nut, profijt;
(verb) profiteren, voordeel trekken uit, ten goede komen
Voorbeeld:
(noun) blok, klomp, gebouw;
(verb) blokkeren, versperren, verhinderen
Voorbeeld:
(verb) de moeite nemen, zich inspannen, storen;
(noun) moeite, hinder
Voorbeeld:
(verb) begraven, verbergen, bedekken
Voorbeeld:
(noun) midden, centrum, faciliteit;
(verb) centreren, in het midden plaatsen
Voorbeeld:
(verb) beweren, aanspraak maken op, opeisen;
(noun) bewering, claim, aanspraak
Voorbeeld:
(adjective) duidelijk, helder, doorzichtig;
(verb) ruimen, vrijmaken, klaren;
(adverb) helemaal, volledig
Voorbeeld:
(verb) combineren, verenigen, samenvoegen;
(noun) maaidorser, combine
Voorbeeld:
(noun) compliment, lof;
(verb) complimenteren, loven
Voorbeeld:
(verb) concentreren, zich richten op, indikken;
(noun) concentraat, geconcentreerd product
Voorbeeld:
(verb) beëindigen, afsluiten, concluderen
Voorbeeld:
(verb) bevestigen, vaststellen, versterken
Voorbeeld:
(verb) verwarren, in de war brengen, verwisselen
Voorbeeld:
(verb) bestaan uit, zich samenstellen uit, liggen in
Voorbeeld:
(noun) contact, aanraking, contactpersoon;
(verb) contact opnemen met, bereiken, aanraken
Voorbeeld:
(noun) contrast, tegenstelling;
(verb) contrasteren, tegenover elkaar stellen
Voorbeeld:
(verb) overtuigen
Voorbeeld:
(verb) definiëren, omschrijven, afbakenen
Voorbeeld:
(verb) bezorgen, leveren, opleveren
Voorbeeld:
(verb) bepalen, vaststellen, uitvinden
Voorbeeld:
(verb) verdelen, scheiden, delen;
(noun) scheiding, grens
Voorbeeld:
(noun) twijfel, onzekerheid;
(verb) twijfelen, betwijfelen
Voorbeeld:
(verb) aanmoedigen, stimuleren, bevorderen
Voorbeeld:
(verb) uitbreiden, uitzetten, uitweiden
Voorbeeld:
(verb) behoren tot, toebehoren aan, thuishoren
Voorbeeld:
(verb) klagen, zeuren, mopperen
Voorbeeld: