Vocabulaireverzameling A2 - Geld en Winkelen in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Geld en Winkelen' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) contant geld, cash;
(verb) innen, contant maken
Voorbeeld:
(noun) euro
Voorbeeld:
(noun) pond, pond sterling, dierenasiel;
(verb) bonken, slaan, bonzen
Voorbeeld:
(noun) cent
Voorbeeld:
(noun) penny, cent
Voorbeeld:
(noun) creditcard
Voorbeeld:
(noun) betaalpas, debetkaart
Voorbeeld:
(verb) controleren, nakijken, stoppen;
(noun) controle, stop, ruit
Voorbeeld:
(noun) bon, kwitantie, ontvangst
Voorbeeld:
(noun) rekening, factuur, wetsvoorstel;
(verb) factureren, rekening sturen, aankondigen
Voorbeeld:
(noun) prijs, kosten, gevolg;
(verb) prijzen, waarderen, een prijs bepalen
Voorbeeld:
(noun) kosten, prijs, opoffering;
(verb) kosten, resulteren in verlies
Voorbeeld:
(noun) winkelen, boodschappen doen;
(verb) winkelen, boodschappen doen
Voorbeeld:
(noun) winkel, zaak, voorraad;
(verb) opslaan, bewaren
Voorbeeld:
(noun) kledingwinkel, kledingzaak
Voorbeeld:
(noun) boodschappentas, winkeltas
Voorbeeld:
(noun) winkelcentrum
Voorbeeld:
(noun) afdeling, departement, warenhuis
Voorbeeld:
(noun) klant
Voorbeeld:
(noun) item, artikel, stuk
Voorbeeld:
(noun) cadeau, geschenk, gave;
(verb) schenken, geven
Voorbeeld:
(noun) verkoop, afzet, uitverkoop
Voorbeeld:
(noun) kar, wagen, winkelwagen;
(verb) vervoeren, dragen
Voorbeeld:
(noun) advertentie, reclame
Voorbeeld:
(adjective) beschikbaar, verkrijgbaar
Voorbeeld:
(adjective) vrij, onafhankelijk, gratis;
(verb) bevrijden, vrijlaten;
(adverb) gratis, kosteloos
Voorbeeld:
(adjective) open, geopend, onbedekt;
(verb) openen, beginnen;
(adverb) open;
(noun) open ruimte, buitenlucht
Voorbeeld:
(adjective) gesloten, dicht, afgesloten;
(past participle) gesloten, afgesloten
Voorbeeld:
(verb) uitgeven, besteden, doorbrengen;
(noun) uitgave, besteding
Voorbeeld:
(verb) aanbieden, offreren, voorstellen;
(noun) aanbod, bod, aanbieding
Voorbeeld:
(verb) redden, behouden, sparen;
(noun) redding, behoudenis, besparing
Voorbeeld:
(phrase) te koop
Voorbeeld:
(noun) hoeveelheid, bedrag;
(verb) bedragen, neerkomen op
Voorbeeld: