Avatar of Vocabulary Set A2 - Werkgelegenheid en Banen 2

Vocabulaireverzameling A2 - Werkgelegenheid en Banen 2 in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Werkgelegenheid en Banen 2' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

salesclerk

/ˈseɪlzklɜːrk/

(noun) verkoopmedewerker, verkoper, verkoopster

Voorbeeld:

The salesclerk helped me find the right size.
De verkoopmedewerker hielp me de juiste maat te vinden.

fashion designer

/ˈfæʃ.ən dɪˌzaɪ.nər/

(noun) modeontwerper

Voorbeeld:

The new collection was unveiled by a renowned fashion designer.
De nieuwe collectie werd onthuld door een gerenommeerde modeontwerper.

farmer

/ˈfɑːr.mɚ/

(noun) boer, landbouwer

Voorbeeld:

The farmer harvested his crops early this year.
De boer oogstte zijn gewassen dit jaar vroeg.

soldier

/ˈsoʊl.dʒɚ/

(noun) soldaat;

(verb) doorgaan, volhouden

Voorbeeld:

The brave soldier fought valiantly in the battle.
De dappere soldaat vocht moedig in de strijd.

officer

/ˈɑː.fɪ.sɚ/

(noun) officier, ambtenaar;

(verb) voorzien van officieren, officieren aanstellen

Voorbeeld:

The police officer directed traffic.
De politieagent regelde het verkeer.

hairstylist

/ˈher.staɪ.lɪst/

(noun) kapper, haarstylist

Voorbeeld:

I need to book an appointment with my hairstylist for a new cut.
Ik moet een afspraak maken met mijn kapper voor een nieuwe coupe.

scientist

/ˈsaɪ.ən.tɪst/

(noun) wetenschapper

Voorbeeld:

The scientist conducted experiments to test the hypothesis.
De wetenschapper voerde experimenten uit om de hypothese te testen.

chemist

/ˈkem.ɪst/

(noun) chemicus, apotheker, apotheek

Voorbeeld:

The chemist conducted experiments in the lab.
De chemicus voerde experimenten uit in het laboratorium.

head

/hed/

(noun) hoofd, kop, leider;

(verb) gaan, zich begeven, leiden;

(adjective) hoofd, voorste

Voorbeeld:

She nodded her head in agreement.
Ze knikte haar hoofd instemmend.

politician

/ˌpɑː.ləˈtɪʃ.ən/

(noun) politicus, politica

Voorbeeld:

The politician promised to lower taxes if elected.
De politicus beloofde de belastingen te verlagen indien gekozen.

organization

/ˌɔːr.ɡən.əˈzeɪ.ʃən/

(noun) organisatie, instelling, ordening

Voorbeeld:

The company is a large international organization.
Het bedrijf is een grote internationale organisatie.

title

/ˈtaɪ.t̬əl/

(noun) titel, functie, kampioenschap;

(verb) tituleren, benoemen

Voorbeeld:

What's the title of that movie?
Wat is de titel van die film?

staff

/stæf/

(noun) personeel, staf, stok;

(verb) bemannen, personeel leveren

Voorbeeld:

The hospital staff worked tirelessly during the pandemic.
Het ziekenhuispersoneel werkte onvermoeibaar tijdens de pandemie.

salary

/ˈsæl.ɚ.i/

(noun) salaris, loon

Voorbeeld:

His annual salary is $60,000.
Zijn jaarsalaris is $60.000.

raise

/reɪz/

(verb) optillen, verhogen, vergroten;

(noun) salarisverhoging, loonsverhoging

Voorbeeld:

She raised her hand to ask a question.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.

overtime

/ˈoʊ.vɚ.taɪm/

(noun) overwerk, overtijd, verlenging;

(adverb) over, overtijd

Voorbeeld:

He worked ten hours of overtime last week.
Hij werkte vorige week tien uur overwerk.

promotion

/prəˈmoʊ.ʃən/

(noun) promotie, reclame, bevordering

Voorbeeld:

The company launched a new promotion for their latest smartphone.
Het bedrijf lanceerde een nieuwe promotie voor hun nieuwste smartphone.

recommendation

/ˌrek.ə.menˈdeɪ.ʃən/

(noun) aanbeveling, advies, referentie

Voorbeeld:

The committee made several recommendations for policy changes.
De commissie deed verschillende aanbevelingen voor beleidswijzigingen.

meeting

/ˈmiː.t̬ɪŋ/

(noun) vergadering, bijeenkomst, ontmoeting;

(verb) ontmoetend, vergaderend

Voorbeeld:

We have a team meeting at 10 AM.
We hebben een teamvergadering om 10 uur.

break

/breɪk/

(verb) breken, stukmaken, onderbreken;

(noun) pauze, onderbreking, uitbraak

Voorbeeld:

The glass will break if you drop it.
Het glas zal breken als je het laat vallen.

job interview

/ˈdʒɑːb ˌɪn.t̬ɚ.vjuː/

(noun) sollicitatiegesprek

Voorbeeld:

She has a job interview next week for a marketing position.
Ze heeft volgende week een sollicitatiegesprek voor een marketingfunctie.

apprentice

/əˈpren.t̬ɪs/

(noun) leerling, stagiair;

(verb) in de leer doen, opleiden

Voorbeeld:

She started her career as an apprentice carpenter.
Ze begon haar carrière als leerling-timmerman.

full-time

/ˈfʊl.taɪm/

(adjective) fulltime, voltijds;

(adverb) fulltime, voltijds

Voorbeeld:

She works full-time as a teacher.
Ze werkt fulltime als lerares.

part-time

/ˌpɑːrtˈtaɪm/

(adjective) parttime;

(adverb) parttime

Voorbeeld:

She works part-time at the local library.
Ze werkt parttime bij de plaatselijke bibliotheek.

retired

/rɪˈtaɪrd/

(adjective) gepensioneerd;

(past participle) gepensioneerd, uit bedrijf genomen

Voorbeeld:

My grandfather is a retired teacher.
Mijn grootvader is een gepensioneerde leraar.

hire

/haɪr/

(verb) aannemen, inhuren, huren;

(noun) aanwerving, huur

Voorbeeld:

The company decided to hire a new marketing manager.
Het bedrijf besloot een nieuwe marketingmanager aan te nemen.

fire

/faɪr/

(noun) vuur, brand, schieten;

(verb) vuren, afschieten, ontslaan

Voorbeeld:

The house caught fire and burned down.
Het huis vatte vuur en brandde af.

earn

/ɝːn/

(verb) verdienen

Voorbeeld:

She works hard to earn a living.
Ze werkt hard om de kost te verdienen.

quit

/kwɪt/

(verb) opzeggen, verlaten, stoppen met;

(noun) vertrek, opzegging

Voorbeeld:

She decided to quit her job and travel the world.
Ze besloot haar baan op te zeggen en de wereld rond te reizen.

résumé

/ˈrɛz.uː.meɪ/

(noun) samenvatting, overzicht, cv

Voorbeeld:

He provided a brief résumé of the meeting's key points.
Hij gaf een korte samenvatting van de belangrijkste punten van de vergadering.

pay

/peɪ/

(verb) betalen, vergoeden, boeten;

(noun) salaris, loon

Voorbeeld:

I need to pay the rent by tomorrow.
Ik moet de huur morgen betalen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland