Avatar of Vocabulary Set A1 - Weer en Natuur

Vocabulaireverzameling A1 - Weer en Natuur in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Weer en Natuur' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

weather

/ˈweð.ɚ/

(noun) weer;

(verb) verweren, aantasten, doorstaan

Voorbeeld:

The weather is beautiful today.
Het weer is prachtig vandaag.

temperature

/ˈtem.pɚ.ə.tʃɚ/

(noun) temperatuur, koorts

Voorbeeld:

The room temperature is 25 degrees Celsius.
De kamertemperatuur is 25 graden Celsius.

fire

/faɪr/

(noun) vuur, brand, schieten;

(verb) vuren, afschieten, ontslaan

Voorbeeld:

The house caught fire and burned down.
Het huis vatte vuur en brandde af.

hot

/hɑːt/

(adjective) heet, warm, pittig;

(adverb) heet, warm

Voorbeeld:

Be careful, the plate is very hot.
Wees voorzichtig, het bord is erg heet.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

sunny

/ˈsʌn.i/

(adjective) zonnig, opgewekt, optimistisch

Voorbeeld:

It was a beautiful sunny day, perfect for a picnic.
Het was een prachtige zonnige dag, perfect voor een picknick.

cloud

/klaʊd/

(noun) wolk, schaduw, probleem;

(verb) vertroebelen, verduisteren

Voorbeeld:

The sky was filled with white, fluffy clouds.
De lucht was gevuld met witte, pluizige wolken.

cloudy

/ˈklaʊ.di/

(adjective) bewolkt, troebel, ondoorzichtig

Voorbeeld:

The sky was cloudy all day, so we couldn't see the sun.
De lucht was de hele dag bewolkt, dus we konden de zon niet zien.

rain

/reɪn/

(noun) regen;

(verb) regenen

Voorbeeld:

The rain started pouring just as we left.
De regen begon te stromen net toen we vertrokken.

rainy

/ˈreɪ.ni/

(adjective) regenachtig

Voorbeeld:

We had a very rainy summer this year.
We hadden dit jaar een erg regenachtige zomer.

snow

/snoʊ/

(noun) sneeuw;

(verb) sneeuwen

Voorbeeld:

The children were excited to see the first snow of the winter.
De kinderen waren opgewonden om de eerste sneeuw van de winter te zien.

snowy

/ˈsnoʊ.i/

(adjective) besneeuwd, sneeuwwit, donszacht

Voorbeeld:

The mountains were beautiful with their snowy peaks.
De bergen waren prachtig met hun besneeuwde toppen.

ice

/aɪs/

(noun) ijs, ijsje, sorbet;

(verb) bevriezen, koelen, glazuren

Voorbeeld:

The lake was covered with a thick layer of ice.
Het meer was bedekt met een dikke laag ijs.

nature

/ˈneɪ.tʃɚ/

(noun) natuur, aard, karakter

Voorbeeld:

Let's go for a walk in nature.
Laten we een wandeling maken in de natuur.

sun

/sʌn/

(noun) zon, zonlicht, zonnewarmte;

(verb) zonnen, blootstellen aan de zon

Voorbeeld:

The sun is shining brightly today.
De zon schijnt vandaag fel.

moon

/muːn/

(noun) maan, natuurlijke satelliet;

(verb) billen tonen, moonen, zwijmelen

Voorbeeld:

The moon was full and bright in the night sky.
De maan was vol en helder aan de nachtelijke hemel.

earth

/ɝːθ/

(noun) aarde, wereld, grond;

(verb) aarden, gronden

Voorbeeld:

The Earth revolves around the Sun.
De aarde draait om de zon.

sky

/skaɪ/

(noun) lucht, hemel

Voorbeeld:

The birds flew high in the sky.
De vogels vlogen hoog in de lucht.

river

/ˈrɪv.ɚ/

(noun) rivier

Voorbeeld:

The boat sailed down the river.
De boot voer de rivier af.

sea

/siː/

(noun) zee, meer, grote hoeveelheid

Voorbeeld:

The ship sailed across the vast sea.
Het schip zeilde over de uitgestrekte zee.

mountain

/ˈmaʊn.tən/

(noun) berg, hoop

Voorbeeld:

Mount Everest is the highest mountain in the world.
Mount Everest is de hoogste berg ter wereld.

beach

/biːtʃ/

(noun) strand;

(verb) aan land brengen, stranden

Voorbeeld:

We spent the day relaxing on the beach.
We brachten de dag ontspannend door op het strand.

forest

/ˈfɔːr.ɪst/

(noun) bos, woud;

(verb) bebossen, aanplanten

Voorbeeld:

We went for a walk in the forest.
We gingen wandelen in het bos.

island

/ˈaɪ.lənd/

(noun) eiland, verkeerseiland

Voorbeeld:

We spent our vacation on a beautiful tropical island.
We brachten onze vakantie door op een prachtig tropisch eiland.

desert

/ˈdez.ɚt/

(noun) woestijn;

(verb) verlaten, deserteren

Voorbeeld:

The Sahara is the largest hot desert in the world.
De Sahara is de grootste hete woestijn ter wereld.

soil

/sɔɪl/

(noun) grond, aarde;

(verb) bevuilen, vervuilen

Voorbeeld:

The farmer prepared the soil for planting.
De boer bereidde de grond voor het planten voor.

tree

/triː/

(noun) boom, diagram;

(verb) de boom injagen, opjagen

Voorbeeld:

The old oak tree stood tall in the forest.
De oude eikenboom stond hoog in het bos.

flower

/ˈflaʊ.ɚ/

(noun) bloem;

(verb) bloeien

Voorbeeld:

The garden is full of beautiful flowers.
De tuin staat vol met prachtige bloemen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland