Avatar of Vocabulary Set A1 - Lichaam

Vocabulaireverzameling A1 - Lichaam in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Lichaam' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

body

/ˈbɑː.di/

(noun) lichaam, hoofdgedeelte, carrosserie

Voorbeeld:

The human body is a complex system.
Het menselijk lichaam is een complex systeem.

hand

/hænd/

(noun) hand, handschrift, wijzer;

(verb) overhandigen, aanreiken

Voorbeeld:

She waved her hand to say goodbye.
Ze zwaaide met haar hand om gedag te zeggen.

finger

/ˈfɪŋ.ɡɚ/

(noun) vinger;

(verb) aanraken, voelen

Voorbeeld:

She pointed with her index finger.
Ze wees met haar wijsvinger.

nail

/neɪl/

(noun) spijker, nagel;

(verb) spijkeren, vastspijkeren, pakken

Voorbeeld:

He hammered a nail into the wall to hang the picture.
Hij sloeg een spijker in de muur om de foto op te hangen.

arm

/ɑːrm/

(noun) arm, wapen;

(verb) bewapenen

Voorbeeld:

She held the baby in her arms.
Ze hield de baby in haar armen.

shoulder

/ˈʃoʊl.dɚ/

(noun) schouder, vluchtstrook, berm;

(verb) schouderen, dragen

Voorbeeld:

He carried the bag on his shoulder.
Hij droeg de tas op zijn schouder.

toe

/toʊ/

(noun) teen, neus, teen (van sok);

(verb) tikken met de teen, aanraken met de teen

Voorbeeld:

She stubbed her toe on the table leg.
Ze stootte haar teen tegen de tafelpoot.

foot

/fʊt/

(noun) voet, lengtemaat, onderkant;

(verb) lopen, te voet gaan, betalen

Voorbeeld:

He hurt his foot playing soccer.
Hij bezeerde zijn voet tijdens het voetballen.

ankle

/ˈæŋ.kəl/

(noun) enkel

Voorbeeld:

She twisted her ankle while playing soccer.
Ze verdraaide haar enkel tijdens het voetballen.

leg

/leɡ/

(noun) been, poot, etappe;

(verb) lopen, rennen

Voorbeeld:

She broke her leg playing soccer.
Ze brak haar been tijdens het voetballen.

knee

/niː/

(noun) knie;

(verb) knielen, met de knie slaan

Voorbeeld:

He fell and scraped his knee.
Hij viel en schaafde zijn knie.

back

/bæk/

(noun) rug, achterkant;

(adverb) terug, achteruit, vroeger;

(adjective) achterste;

(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

He lay on his back, looking up at the stars.
Hij lag op zijn rug, naar de sterren kijkend.

heart

/hɑːrt/

(noun) hart, gemoed, kern;

(verb) bemoedigen, aanmoedigen

Voorbeeld:

The doctor listened to her heart with a stethoscope.
De dokter luisterde met een stethoscoop naar haar hart.

stomach

/ˈstʌm.ək/

(noun) maag, buik, abdomen;

(verb) verdragen, tolereren

Voorbeeld:

My stomach hurts after eating too much.
Mijn maag doet pijn na te veel eten.

lung

/lʌŋ/

(noun) long

Voorbeeld:

Smoking can cause serious damage to your lungs.
Roken kan ernstige schade aan je longen veroorzaken.

liver

/ˈlɪv.ɚ/

(noun) lever, lever (voedsel)

Voorbeeld:

The doctor examined his liver for any abnormalities.
De dokter onderzocht zijn lever op afwijkingen.

kidney

/ˈkɪd.ni/

(noun) nier, nierboon, rode nierboon

Voorbeeld:

The doctor examined his kidney function.
De dokter onderzocht zijn nierfunctie.

skeleton

/ˈskel.ə.t̬ən/

(noun) skelet, basisstructuur, raamwerk

Voorbeeld:

The human skeleton is made up of 206 bones.
Het menselijk skelet bestaat uit 206 botten.

movement

/ˈmuːv.mənt/

(noun) beweging, deel

Voorbeeld:

The dancer's graceful movement captivated the audience.
De gracieuze beweging van de danser boeide het publiek.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland