Avatar of Vocabulary Set Tuinieren

Vocabulaireverzameling Tuinieren in Huis en Tuin: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Tuinieren' in 'Huis en Tuin' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

allotment

/əˈlɑːt.mənt/

(noun) toewijzing, verdeling, volkstuin

Voorbeeld:

The allotment of tasks was done fairly among the team members.
De toewijzing van taken gebeurde eerlijk onder de teamleden.

fertilizer

/ˈfɝː.t̬əl.aɪ.zɚ/

(noun) meststof, kunstmest

Voorbeeld:

Farmers use fertilizer to improve crop yields.
Boeren gebruiken meststof om de oogstopbrengst te verbeteren.

ax

/æks/

(noun) bijl;

(verb) hakken, schrappen

Voorbeeld:

He used an ax to split the logs for the fireplace.
Hij gebruikte een bijl om de boomstammen voor de open haard te splijten.

growbag

/ˈɡroʊ.bæɡ/

(noun) kweekzak, groeizak

Voorbeeld:

We planted our tomatoes in a growbag this year.
We hebben onze tomaten dit jaar in een kweekzak geplant.

cane

/keɪn/

(noun) stok, wandelstok, riet;

(verb) slaan met een stok, geselen

Voorbeeld:

The old man walked with a cane.
De oude man liep met een stok.

fork

/fɔːrk/

(noun) vork, splitsing, vertakking;

(verb) splitsen, vertakken, vorken

Voorbeeld:

Please pass me a fork to eat my salad.
Geef me alsjeblieft een vork om mijn salade te eten.

hedge trimmer

/ˈhedʒ ˌtrɪm.ər/

(noun) heggenschaar

Voorbeeld:

He spent the afternoon using the hedge trimmer to neaten the garden.
Hij bracht de middag door met de heggenschaar om de tuin netjes te maken.

hoe

/hoʊ/

(noun) schoffel, slet, hoer;

(verb) schoffelen

Voorbeeld:

He used a hoe to clear the weeds from the garden.
Hij gebruikte een schoffel om het onkruid uit de tuin te verwijderen.

manure

/məˈnʊr/

(noun) mest, dierlijke mest;

(verb) bemesten, mesten

Voorbeeld:

The farmer spread manure on the fields to enrich the soil.
De boer verspreidde mest over de velden om de bodem te verrijken.

weed

/wiːd/

(noun) onkruid, wiet, marihuana;

(verb) wieden, onkruid verwijderen, uitroeien

Voorbeeld:

The garden was overgrown with weeds.
De tuin was overwoekerd met onkruid.

rake

/reɪk/

(noun) hark, losbol, playboy;

(verb) harken, vegen, scannen

Voorbeeld:

He used a rake to clear the leaves from the lawn.
Hij gebruikte een hark om de bladeren van het gazon te verwijderen.

mulch

/mʌltʃ/

(noun) mulch, bodembedekker;

(verb) mulchen, bedekken

Voorbeeld:

Spread a thick layer of wood chip mulch around the base of the trees.
Spreid een dikke laag houtsnipper mulch rond de basis van de bomen.

shovel

/ˈʃʌv.əl/

(noun) schop, schep;

(verb) scheppen, schuiven

Voorbeeld:

He used a shovel to clear the snow from the driveway.
Hij gebruikte een schop om de sneeuw van de oprit te ruimen.

lawnmower

/ˈlɑːnˌmoʊ.ɚ/

(noun) grasmaaier

Voorbeeld:

He spent Saturday morning pushing the lawnmower around the yard.
Hij bracht zaterdagochtend door met het duwen van de grasmaaier door de tuin.

peat

/piːt/

(noun) turf

Voorbeeld:

The gardener added peat moss to improve the soil drainage.
De tuinman voegde turf toe om de bodemdrainage te verbeteren.

pruning shears

/ˈpruːnɪŋ ʃɪrz/

(noun) snoeischaar

Voorbeeld:

He used the pruning shears to trim the rose bushes.
Hij gebruikte de snoeischaar om de rozenstruiken te snoeien.

seed

/siːd/

(noun) zaad, pit, kiem;

(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten

Voorbeeld:

Plant the seed in fertile soil.
Plant het zaad in vruchtbare grond.

spade

/speɪd/

(noun) spade, schop, schoppen;

(verb) spitten, omspitten

Voorbeeld:

He used a spade to dig a hole for the new tree.
Hij gebruikte een spade om een gat te graven voor de nieuwe boom.

patch

/pætʃ/

(noun) lapje, pleister, plek;

(verb) lappen, repareren, verbinden

Voorbeeld:

She sewed a patch onto the knee of her jeans.
Ze naaide een lapje op de knie van haar spijkerbroek.

wheelbarrow

/ˈwiːlˌber.oʊ/

(noun) kruiwagen

Voorbeeld:

He pushed the wheelbarrow full of soil to the garden bed.
Hij duwde de kruiwagen vol aarde naar het tuinbed.

insecticide

/ɪnˈsek.tə.saɪd/

(noun) insecticide, insectenverdelger

Voorbeeld:

Farmers often use insecticides to protect their crops from pests.
Boeren gebruiken vaak insecticiden om hun gewassen te beschermen tegen plagen.

Strimmer

/ˈstrɪm.ɚ/

(noun) strimmer, grastrimmer

Voorbeeld:

He used a strimmer to clear the overgrown edges of the garden.
Hij gebruikte een strimmer om de overwoekerde randen van de tuin te maaien.

landscaping

/ˈlænd.skeɪ.pɪŋ/

(noun) landschapsarchitectuur, tuinaanleg

Voorbeeld:

The new park features beautiful landscaping with native plants.
Het nieuwe park heeft prachtige landschapsarchitectuur met inheemse planten.

seedbed

/ˈsiːd.bed/

(noun) zaaibed, broedplaats, kweekvijver

Voorbeeld:

The gardener prepared the seedbed for the vegetable plants.
De tuinman bereidde het zaaibed voor de groenteplanten voor.

fogger

/ˈfɑː.ɡɚ/

(noun) vernevelaar, mistmachine

Voorbeeld:

The pest control company used a powerful fogger to eliminate the mosquitoes.
Het ongediertebestrijdingsbedrijf gebruikte een krachtige vernevelaar om de muggen te elimineren.

leaf blower

/ˈliːf ˌbloʊ.ər/

(noun) bladblazer

Voorbeeld:

He used a leaf blower to clear the driveway.
Hij gebruikte een bladblazer om de oprit schoon te maken.

compost

/ˈkɑːm.poʊst/

(noun) compost;

(verb) composteren

Voorbeeld:

She added a layer of compost to her vegetable garden.
Ze voegde een laag compost toe aan haar moestuin.

cut back

/kʌt bæk/

(phrasal verb) bezuinigen, verminderen, terugsnoeien

Voorbeeld:

We need to cut back on expenses to save money.
We moeten bezuinigen op uitgaven om geld te besparen.

cut down

/kʌt daʊn/

(phrasal verb) verminderen, beperken, omhakken

Voorbeeld:

You need to cut down on sugar if you want to be healthier.
Je moet minder suiker eten als je gezonder wilt zijn.

dig

/dɪɡ/

(verb) graven, spitten, opgraven;

(noun) graafwerk, opgraving, steek

Voorbeeld:

They decided to dig a well in their backyard.
Ze besloten een put te graven in hun achtertuin.

garden

/ˈɡɑːr.dən/

(noun) tuin;

(verb) tuinieren, beplanten

Voorbeeld:

She spent the afternoon working in her garden.
Ze bracht de middag door met werken in haar tuin.

graft

/ɡræft/

(noun) transplantaat, ent, corruptie;

(verb) transplanteren, enten, integreren

Voorbeeld:

The surgeon performed a skin graft to cover the burn.
De chirurg voerde een huidtransplantatie uit om de brandwond te bedekken.

grow

/ɡroʊ/

(verb) groeien, toenemen, verbouwen

Voorbeeld:

The company's profits continue to grow.
De winst van het bedrijf blijft groeien.

plant

/plænt/

(noun) plant, gewas, fabriek;

(verb) planten, zaaien, plaatsen

Voorbeeld:

She watered the plant every morning.
Ze gaf de plant elke ochtend water.

pot

/pɑːt/

(noun) pot, pan, fonds;

(verb) potten, inpotten, in de pocket stoten

Voorbeeld:

She put the flowers in a beautiful clay pot.
Ze zette de bloemen in een mooie kleien pot.

mow

/moʊ/

(verb) maaien

Voorbeeld:

I need to mow the lawn this weekend.
Ik moet dit weekend het gazon maaien.

sow

/soʊ/

(verb) zaaien, veroorzaken;

(noun) zeug

Voorbeeld:

Farmers sow seeds in the spring.
Boeren zaaien zaden in de lente.

transplant

/trænˈsplænt/

(noun) transplantatie, verplanting, overgeplante plant;

(verb) transplanteren, verplanten

Voorbeeld:

He received a heart transplant last year.
Hij heeft vorig jaar een harttransplantatie ondergaan.

water

/ˈwɑː.t̬ɚ/

(noun) water;

(verb) wateren, begieten

Voorbeeld:

Please give me a glass of water.
Geef me alsjeblieft een glas water.

be in leaf

/biː ɪn liːf/

(idiom) in blad staan, bladeren hebben

Voorbeeld:

The trees will soon be in leaf again.
De bomen zullen snel weer in blad staan.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland