Vocabulaireverzameling Tuinieren in Huis en Tuin: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Tuinieren' in 'Huis en Tuin' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) toewijzing, verdeling, volkstuin
Voorbeeld:
(noun) meststof, kunstmest
Voorbeeld:
(noun) bijl;
(verb) hakken, schrappen
Voorbeeld:
(noun) kweekzak, groeizak
Voorbeeld:
(noun) stok, wandelstok, riet;
(verb) slaan met een stok, geselen
Voorbeeld:
(noun) vork, splitsing, vertakking;
(verb) splitsen, vertakken, vorken
Voorbeeld:
(noun) heggenschaar
Voorbeeld:
(noun) schoffel, slet, hoer;
(verb) schoffelen
Voorbeeld:
(noun) mest, dierlijke mest;
(verb) bemesten, mesten
Voorbeeld:
(noun) onkruid, wiet, marihuana;
(verb) wieden, onkruid verwijderen, uitroeien
Voorbeeld:
(noun) hark, losbol, playboy;
(verb) harken, vegen, scannen
Voorbeeld:
(noun) mulch, bodembedekker;
(verb) mulchen, bedekken
Voorbeeld:
(noun) schop, schep;
(verb) scheppen, schuiven
Voorbeeld:
(noun) grasmaaier
Voorbeeld:
(noun) turf
Voorbeeld:
(noun) snoeischaar
Voorbeeld:
(noun) zaad, pit, kiem;
(verb) zaaien, inzaaien, ontpitten
Voorbeeld:
(noun) spade, schop, schoppen;
(verb) spitten, omspitten
Voorbeeld:
(noun) lapje, pleister, plek;
(verb) lappen, repareren, verbinden
Voorbeeld:
(noun) kruiwagen
Voorbeeld:
(noun) insecticide, insectenverdelger
Voorbeeld:
(noun) strimmer, grastrimmer
Voorbeeld:
(noun) landschapsarchitectuur, tuinaanleg
Voorbeeld:
(noun) zaaibed, broedplaats, kweekvijver
Voorbeeld:
(noun) vernevelaar, mistmachine
Voorbeeld:
(noun) bladblazer
Voorbeeld:
(noun) compost;
(verb) composteren
Voorbeeld:
(phrasal verb) bezuinigen, verminderen, terugsnoeien
Voorbeeld:
(phrasal verb) verminderen, beperken, omhakken
Voorbeeld:
(verb) graven, spitten, opgraven;
(noun) graafwerk, opgraving, steek
Voorbeeld:
(noun) tuin;
(verb) tuinieren, beplanten
Voorbeeld:
(noun) transplantaat, ent, corruptie;
(verb) transplanteren, enten, integreren
Voorbeeld:
(verb) groeien, toenemen, verbouwen
Voorbeeld:
(noun) plant, gewas, fabriek;
(verb) planten, zaaien, plaatsen
Voorbeeld:
(noun) pot, pan, fonds;
(verb) potten, inpotten, in de pocket stoten
Voorbeeld:
(verb) maaien
Voorbeeld:
(verb) zaaien, veroorzaken;
(noun) zeug
Voorbeeld:
(noun) transplantatie, verplanting, overgeplante plant;
(verb) transplanteren, verplanten
Voorbeeld:
(noun) water;
(verb) wateren, begieten
Voorbeeld:
(idiom) in blad staan, bladeren hebben
Voorbeeld: