Avatar of Vocabulary Set Musculoskeletaal systeem

Vocabulaireverzameling Musculoskeletaal systeem in Lichaam: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Musculoskeletaal systeem' in 'Lichaam' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bone

/boʊn/

(noun) bot, been, botmateriaal;

(verb) ontbenen

Voorbeeld:

The dog buried a bone in the backyard.
De hond begroef een bot in de achtertuin.

joint

/dʒɔɪnt/

(noun) gewricht, verbinding, voeg;

(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;

(verb) verbinden, samenvoegen

Voorbeeld:

My knee joint aches after running.
Mijn kniegewricht doet pijn na het rennen.

cartilage

/ˈkɑːr.t̬əl.ɪdʒ/

(noun) kraakbeen

Voorbeeld:

The doctor explained that the injury affected the cartilage in her knee.
De dokter legde uit dat de blessure het kraakbeen in haar knie aantastte.

ligament

/ˈlɪɡ.ə.mənt/

(noun) ligament, gewrichtsband

Voorbeeld:

He tore a ligament in his knee during the game.
Hij scheurde een ligament in zijn knie tijdens de wedstrijd.

bursa

/ˈbɝː.sə/

(noun) bursa, slijmbeurs

Voorbeeld:

Inflammation of the bursa can cause pain and swelling.
Ontsteking van de bursa kan pijn en zwelling veroorzaken.

axial skeleton

/ˈæk.si.əl ˈskel.ɪ.tən/

(noun) axiaal skelet

Voorbeeld:

The axial skeleton provides support and protection for the brain, spinal cord, and organs in the thorax.
Het axiale skelet biedt ondersteuning en bescherming voor de hersenen, het ruggenmerg en de organen in de borstkas.

Achilles tendon

/əˌkɪl.iːz ˈten.dən/

(noun) achillespees

Voorbeeld:

He ruptured his Achilles tendon playing basketball.
Hij scheurde zijn achillespees tijdens het basketballen.

tendon

/ˈten.dən/

(noun) pees

Voorbeeld:

He strained a tendon in his ankle while playing basketball.
Hij verrekte een pees in zijn enkel tijdens het basketballen.

skull

/skʌl/

(noun) schedel;

(verb) slaan, op het hoofd slaan

Voorbeeld:

The human skull protects the brain.
De menselijke schedel beschermt de hersenen.

muscle

/ˈmʌs.əl/

(noun) spier, spierkracht, kracht;

(verb) zich opdringen, met geweld binnendringen

Voorbeeld:

He pulled a muscle in his leg while running.
Hij verrekte een spier in zijn been tijdens het rennen.

hamstring

/ˈhæm.strɪŋ/

(noun) hamstring;

(verb) kreupel maken, hamstrings doorsnijden, belemmeren

Voorbeeld:

He pulled a hamstring during the sprint.
Hij verrekte een hamstring tijdens de sprint.

abductor

/æbˈdʌk.tɚ/

(noun) ontvoerder, abductor, afvoerder

Voorbeeld:

The police are searching for the abductor of the child.
De politie zoekt naar de ontvoerder van het kind.

backbone

/ˈbæk.boʊn/

(noun) ruggengraat, wervelkolom, karaktersterkte

Voorbeeld:

The human backbone is made up of 33 vertebrae.
De menselijke ruggengraat bestaat uit 33 wervels.

biceps

/ˈbaɪ.seps/

(noun) biceps

Voorbeeld:

He flexed his biceps to show off his strength.
Hij spande zijn biceps om zijn kracht te tonen.

breastbone

/ˈbrest.boʊn/

(noun) borstbeen

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's breastbone for any abnormalities.
De dokter onderzocht het borstbeen van de patiënt op afwijkingen.

cheekbone

/ˈtʃiːk.boʊn/

(noun) jukbeen, wangbeen

Voorbeeld:

She has high cheekbones.
Ze heeft hoge jukbeenderen.

ciliary body

/ˈsɪl.i.er.i ˌbɑːd.i/

(noun) straallichaam

Voorbeeld:

The ciliary body plays a crucial role in accommodation, allowing the eye to focus on objects at various distances.
Het straallichaam speelt een cruciale rol bij accommodatie, waardoor het oog kan scherpstellen op objecten op verschillende afstanden.

clavicle

/ˈklæv.ɪ.kəl/

(noun) sleutelbeen

Voorbeeld:

He fractured his clavicle during the football game.
Hij brak zijn sleutelbeen tijdens de voetbalwedstrijd.

coccyx

/ˈkɑːk.sɪks/

(noun) stuitbeen

Voorbeeld:

He fell and bruised his coccyx.
Hij viel en kneusde zijn stuitbeen.

collarbone

/ˈkɑː.lɚ.boʊn/

(noun) sleutelbeen

Voorbeeld:

She broke her collarbone in a skiing accident.
Ze brak haar sleutelbeen bij een ski-ongeluk.

cranium

/ˈkreɪ.ni.əm/

(noun) schedel, hersenpan

Voorbeeld:

The paleontologist carefully examined the fossilized cranium.
De paleontoloog onderzocht zorgvuldig de gefossiliseerde schedel.

deltoid

/ˈdel.tɔɪd/

(noun) deltaspier;

(adjective) delta-achtig, driehoekig

Voorbeeld:

He worked on his deltoids at the gym.
Hij trainde zijn deltaspieren in de sportschool.

extensor

/ɪkˈsten.sɚ/

(noun) extensor, strekspier

Voorbeeld:

The extensor muscles in the arm help straighten the elbow.
De extensorspieren in de arm helpen de elleboog te strekken.

femur

/ˈfiː.mɚ/

(noun) dijbeen

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's broken femur.
De dokter onderzocht het gebroken dijbeen van de patiënt.

humerus

/ˈhjuː.mə.rəs/

(noun) opperarmbeen

Voorbeeld:

He fractured his humerus in a fall.
Hij brak zijn opperarmbeen bij een val.

fibula

/ˈfɪb.jə.lə/

(noun) fibula, kuitbeen

Voorbeeld:

He fractured his fibula during the soccer match.
Hij brak zijn fibula tijdens de voetbalwedstrijd.

flexor

/ˈflek.sɚ/

(noun) buigspier

Voorbeeld:

The biceps is a flexor muscle of the arm.
De biceps is een buigspier van de arm.

jawbone

/ˈdʒɑː.boʊn/

(noun) kaakbeen, onderkaak;

(verb) onderhandelen, overtuigen

Voorbeeld:

The boxer sustained a fractured jawbone during the fight.
De bokser liep een gebroken kaakbeen op tijdens het gevecht.

kneecap

/ˈniː.kæp/

(noun) knieschijf;

(verb) knieschijven

Voorbeeld:

He injured his kneecap during the soccer match.
Hij blesseerde zijn knieschijf tijdens de voetbalwedstrijd.

mandible

/ˈmæn.də.bəl/

(noun) onderkaak, kaakbeen, mandibel

Voorbeeld:

The paleontologist carefully examined the fossilized mandible of the ancient creature.
De paleontoloog onderzocht zorgvuldig de gefossiliseerde onderkaak van het oude wezen.

metatarsal

/ˌmet̬.əˈtɑːr.səl/

(noun) middenvoetsbeentje;

(adjective) middenvoets

Voorbeeld:

He fractured his fifth metatarsal during the soccer match.
Hij brak zijn vijfde middenvoetsbeentje tijdens de voetbalwedstrijd.

musculature

/ˈmʌs.kjə.lə.tʃɚ/

(noun) spierstructuur, musculatuur

Voorbeeld:

The athlete's powerful musculature was evident in his strong physique.
De krachtige spierstructuur van de atleet was duidelijk zichtbaar in zijn sterke lichaamsbouw.

occipital bone

/ɑːkˈsɪpɪtl boʊn/

(noun) achterhoofdsbeen

Voorbeeld:

The neurosurgeon carefully examined the patient's occipital bone for any fractures.
De neurochirurg onderzocht zorgvuldig het achterhoofdsbeen van de patiënt op eventuele breuken.

frontal bone

/ˈfrʌn.təl ˌboʊn/

(noun) voorhoofdsbeen

Voorbeeld:

The surgeon carefully repaired the fractured frontal bone.
De chirurg repareerde voorzichtig het gebroken voorhoofdsbeen.

parietal bone

/pəˈraɪ.ɪ.təl boʊn/

(noun) wandbeen

Voorbeeld:

The surgeon carefully examined the patient's parietal bone for fractures.
De chirurg onderzocht zorgvuldig het wandbeen van de patiënt op breuken.

sphenoid bone

/ˈsfiːnɔɪd boʊn/

(noun) wiggenbeen

Voorbeeld:

The optic nerve passes through a canal in the sphenoid bone.
De oogzenuw loopt door een kanaal in het wiggenbeen.

temporal

/ˈtem.pɚ.əl/

(adjective) wereldlijk, tijdelijk, temporeel

Voorbeeld:

The church has both spiritual and temporal power.
De kerk heeft zowel spirituele als wereldlijke macht.

temporal bone

/ˈtɛmpərəl boʊn/

(noun) slaapbeen

Voorbeeld:

The mastoid process is a projection of the temporal bone.
Het mastoïd is een uitsteeksel van het slaapbeen.

zygoma

/zaɪˈɡoʊ.mə/

(noun) jukbeen

Voorbeeld:

The boxer suffered a fracture to his left zygoma.
De bokser liep een breuk op aan zijn linker jukbeen.

maxilla

/mækˈsɪl.ə/

(noun) bovenkaak, maxilla

Voorbeeld:

The dentist examined the patient's maxilla for any signs of decay.
De tandarts onderzocht de bovenkaak van de patiënt op tekenen van bederf.

patella

/pəˈtel.ə/

(noun) knieschijf

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's patella for any signs of injury.
De dokter onderzocht de knieschijf van de patiënt op tekenen van letsel.

pelvis

/ˈpel.vɪs/

(noun) bekken

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's pelvis for any fractures.
De dokter onderzocht het bekken van de patiënt op breuken.

quadriceps

/ˈkwɑːd.rəˌseps/

(noun) quadriceps

Voorbeeld:

He strengthened his quadriceps with squats and lunges.
Hij versterkte zijn quadriceps met squats en lunges.

rib

/rɪb/

(noun) rib, ribbetje, ribstuk;

(verb) plagen, spotten

Voorbeeld:

He fractured a rib in the accident.
Hij brak een rib bij het ongeluk.

ribcage

/ˈrɪbˌkeɪdʒ/

(noun) ribbenkast

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's ribcage for any abnormalities.
De dokter onderzocht de ribbenkast van de patiënt op afwijkingen.

sacrum

/ˈsæk.rəm/

(noun) heiligbeen

Voorbeeld:

The sacrum connects the spine to the pelvis.
Het heiligbeen verbindt de wervelkolom met het bekken.

shin bone

/ˈʃɪn boʊn/

(noun) scheenbeen

Voorbeeld:

He kicked the ball and hit his shin bone against the opponent's leg.
Hij schopte de bal en stootte zijn scheenbeen tegen het been van de tegenstander.

scapula

/ˈskæp.jə.lə/

(noun) schouderblad

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's scapula after the fall.
De dokter onderzocht het schouderblad van de patiënt na de val.

shoulder blade

/ˈʃoʊl.dər bleɪd/

(noun) schouderblad

Voorbeeld:

He felt a sharp pain in his left shoulder blade.
Hij voelde een scherpe pijn in zijn linker schouderblad.

sinew

/ˈsɪn.juː/

(noun) pees, spiervezel, kracht

Voorbeeld:

The hunter carefully cut through the deer's sinews.
De jager sneed voorzichtig door de pezen van het hert.

skeleton

/ˈskel.ə.t̬ən/

(noun) skelet, basisstructuur, raamwerk

Voorbeeld:

The human skeleton is made up of 206 bones.
Het menselijk skelet bestaat uit 206 botten.

spine

/spaɪn/

(noun) ruggengraat, wervelkolom, rug

Voorbeeld:

He injured his spine in a fall.
Hij bezeerde zijn ruggengraat bij een val.

sphincter

/ˈsfɪŋk.tɚ/

(noun) sfincter, sluitspier

Voorbeeld:

The esophageal sphincter prevents stomach acid from flowing back into the esophagus.
De slokdarmsfincter voorkomt dat maagzuur terugstroomt in de slokdarm.

sternum

/ˈstɝː.nəm/

(noun) borstbeen

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's sternum for any abnormalities.
De dokter onderzocht het borstbeen van de patiënt op afwijkingen.

tailbone

/ˈteɪl.boʊn/

(noun) stuitje

Voorbeeld:

She fell and bruised her tailbone.
Ze viel en kneusde haar stuitje.

tarsal

/ˈtɑːr.səl/

(adjective) tarsaal, enkel-

Voorbeeld:

The injury affected his tarsal bones.
De blessure trof zijn tarsale botten.

thigh bone

/ˈθaɪ boʊn/

(noun) dijbeen

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's broken thigh bone.
De dokter onderzocht het gebroken dijbeen van de patiënt.

tibia

/ˈtɪb.i.ə/

(noun) tibia, scheenbeen

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's tibia for fractures.
De dokter onderzocht de tibia van de patiënt op breuken.

triceps

/ˈtraɪ.seps/

(noun) triceps

Voorbeeld:

He worked on his triceps at the gym.
Hij trainde zijn triceps in de sportschool.

ulna

/ˈʌl.nə/

(noun) ellepijp

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's ulna after the fall.
De dokter onderzocht de ellepijp van de patiënt na de val.

vertebra

/ˈvɝː.t̬ə.brə/

(noun) wervel

Voorbeeld:

The doctor examined the patient's damaged vertebra.
De dokter onderzocht de beschadigde wervel van de patiënt.

ossicle

/ˈɑːsɪkl/

(noun) gehoorbeentje, botje

Voorbeeld:

The smallest bone in the human body is the stapes, an ossicle in the ear.
Het kleinste bot in het menselijk lichaam is de stijgbeugel, een gehoorbeentje in het oor.

jaw

/dʒɑː/

(noun) kaak, ingang, opening;

(verb) klagen, praten

Voorbeeld:

He clenched his jaw in anger.
Hij klemde zijn kaak samen van woede.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland