Vocabulaireverzameling Lichaamsgewicht in Uiterlijk: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Lichaamsgewicht' in 'Uiterlijk' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) vet;
(adjective) dik, vet, groot
Voorbeeld:
(adjective) overgewicht, te zwaar
Voorbeeld:
(adjective) zwaarlijvig, obees, vet
Voorbeeld:
(adjective) ruim, voldoende, overvloedig
Voorbeeld:
(adjective) mollig, gezet
Voorbeeld:
(adjective) dik, gezet
Voorbeeld:
(adjective) stevig, gezet, fors;
(noun) stout, donker bier
Voorbeeld:
(adjective) stukjes, grof, stevig
Voorbeeld:
(adjective) corpulent, gezet
Voorbeeld:
(adjective) gedrongen, kort en dik
Voorbeeld:
(adjective) vlezig, vleesachtig
Voorbeeld:
(adjective) vol, mollig, rond;
(verb) opkloppen, opvullen, bol maken;
(adverb) plomp, zwaar, plotseling
Voorbeeld:
(adjective) mollig, gezet
Voorbeeld:
(adjective) corpulent, gezet
Voorbeeld:
(adjective) dikbuikig, buikig
Voorbeeld:
(adjective) mollig, gezet
Voorbeeld:
(noun) pissebed, rolpissebed, mollig;
(adjective) mollig, rond
Voorbeeld:
(adjective) rond, gezet, corpulent
Voorbeeld:
(adjective) vet, vettig;
(noun) dikzak, vetzak
Voorbeeld:
(adjective) dun, mager, slank;
(verb) verdunnen, uitdunnen;
(adverb) dun
Voorbeeld:
(adjective) mager, dun, skinny;
(noun) nieuws, details, informatie
Voorbeeld:
(adjective) ondergewicht, te licht
Voorbeeld:
(adjective) mager, uitgemergeld, grauw
Voorbeeld:
(adjective) mager, schraal
Voorbeeld:
(adjective) uitgemergeld, mager, uitgeteerd
Voorbeeld:
(adjective) anorectisch;
(noun) anorectisch persoon
Voorbeeld:
(adjective) mager, knokig, benig
Voorbeeld:
(adjective) lijkbleek, uitgemergeld, cadaverachtig
Voorbeeld:
(adjective) beknopt, krap, ingevallen;
(verb) knijpen, knellen, stelen
Voorbeeld:
(adjective) zwak, klein, onbeduidend
Voorbeeld:
(adjective) mager, schraal
Voorbeeld:
(adjective) skelet-, bot-, skeletachtig
Voorbeeld:
(adjective) slank, dun, klein;
(verb) afslanken, stroomlijnen
Voorbeeld:
(adjective) slank, rank, gering
Voorbeeld:
(verb) leunen, hellen, leunen op;
(adjective) slank, mager, schaars
Voorbeeld:
(verb) knippen, snoeien, trimmen;
(noun) bies, sierrand, versiering;
(adjective) netjes, verzorgd, strak
Voorbeeld:
(adjective) klein, tenger
Voorbeeld:
(adjective) fijn, delicaat, sierlijk
Voorbeeld:
(adjective) draadachtig, stug, gespierd
Voorbeeld:
(adjective) peesachtig, vezelig, taai
Voorbeeld:
(adjective) reserve, extra, mager;
(verb) missen, ontberen, sparen;
(noun) reserveonderdeel, reservewiel
Voorbeeld:
(adjective) delicaat, fragiel, breekbaar
Voorbeeld:
(adjective) elfachtig, elfisch
Voorbeeld:
(adjective) lenig, soepel, gracieus
Voorbeeld:
(adjective) slank, rank, elegant
Voorbeeld:
(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;
(adverb) grootspraak, arrogant
Voorbeeld: